Interview

Ik ben opgegroeid in de wachtstand

George Tobal

Over zijn vlucht uit Syrië en zijn leven in Nederland schreef George Tobal de jeugdtheatervoorstelling Woestijnjasmijntjes. Elf jaar woonde hij in azc’s. „In het azc dacht ik altijd: Ik ben de goede, haal me uit de gevangenis, laat me meedraaien.”

Foto Roger Cremers

In Woestijnjasmijntjes, geschreven door George Tobal, vlucht een vader met zijn dochter naar een ander land. Voor het kind creëert de vader de illusie van een sprookje: de gewelddadige mannen om wie ze vertrekken, zijn Ratten, hun fictieve reisgenoot is Koen het Konijn en in het land waar ze heengaan zal iedereen haar verwelkomen als de Prinses uit het Oosten. Even goed worden ze onderweg afgeperst door de man die hen in een wrakke boot zal overzetten en worden ze bij aankomst opgewacht door een IJskoningin, die vernederende vragen stelt.

Het lot van bootvluchtelingen is in deze opzet helder herkenbaar, maar voor Tobal staat dat niet centraal. „Dit is menselijk drama over een vader en zijn kind. Hun vlucht fungeert als arena. Door hun ontberingen hebben ze een bijzondere relatie.”

De 31-jarige acteur en theatermaker won afgelopen vrijdag, samen met Majd Mardo, een Gouden Kalf als beste acteur in een tv-drama voor zijn rol in de film Jungle. In het theater maakt Tobal furore als de helft van het tragikomische duo George & Eran: twee stand-upfilosofen die drie voorstellingen maakten over hoe de Wereldvrede te bewerkstelligen.

Lees hier de recensie van George & Eran lossen wereldvrede op

Met Woestijnjasmijntjes, een voorstelling van De Toneelmakerij en George & Eran Producties, schrijft Tobal voor het eerst voor andere acteurs. Theatercompagnon Eran Ben-Michaël doet de regie.

Het vluchtverhaal waar hij over schrijft, kent hij deels uit eigen ervaring. Hij was twaalf toen zijn ouders hem en zijn broer en zus vanuit Syrië naar Nederland meenamen. Tobal: „Zo’n boottocht heb ik niet zelf meegemaakt. Wij kwamen in de jaren negentig en toen kon je reizen op andere manieren, die minder gevaarlijk waren.”

Het noordelijk deel van Syrië, waar Aleppo ligt, de stad waar hij werd geboren, grenst aan de woestijn, vertelt hij. „Richting Homs zijn heuvels en bergen met meer vegetatie en daar groeien veel bloemen. De geur van jasmijnen is me altijd bijgebleven en die voert me terug naar Syrië. Die twee elementen heb ik verenigd in de titel van mijn toneelstuk.”

Sinds de burgeroorlog begon, komen er veel Syriërs naar Nederland. „Het beeld van vluchtelingen is vaak eenzijdig: het zijn profiteurs of terroristen of ze zijn zielig. Ik wil een stap terugdoen en ze portretteren als gewone mensen.” Om je kind te willen afschermen van problemen hoef je geen vluchteling te zijn, zegt hij. „Ik heb sinds kort zelf een dochter en ook ik vraag me af: hoe vertel ik haar over de ellende in de wereld? Dat mechanisme wil ik blootleggen.”

De vader houdt zijn dochter voor: als we door de Poort zijn, is alles in orde. Tobal: „Dat is de grootste onzin: bij die zogenaamde Poort beginnen de problemen pas.” Dat is zijn persoonlijke ervaring. Na aankomst in Nederland woonde hij de rest van zijn jeugd, elf lange jaren, in asielzoekerscentra.

Tobal: „Mijn ouders zeiden dat we op vakantie gingen. Die vakantie liep nogal uit de hand.” Voor zijn ouders was het stranden in de asielprocedure pijnlijker dan voor hem, denkt Tobal. „Ze probeerden hun kinderen een nieuw leven te geven, maar dat liep mis. Dat is ook wat de vader in het stuk, Jacob, overkomt. Het lukt hem niet zijn rooskleurige verhaal overeind te houden.”

Constant verhuizen

Maar als vader en dochter Nour vast komen te zitten, vraagt Nour: ‘Is het nou zo erg?’ Tobal: „Dat is het moment dat ze volwassen wordt. Ze neemt de rol van de ouder op zich. Dat gebeurt met kinderen van vluchtelingen: ze integreren sneller en dan raken de verhoudingen zoek. De vraag wordt: wie is het kind, wie de ouder?”

Op dezelfde manier ontwikkelde Tobal zich, met de kinderen om zich heen in het azc. „Wij spraken de Nederlandse taal, maar waren geen onderdeel van de Nederlandse cultuur en hadden niet de ambitie om er onderdeel van te zijn. We accepteerden dat we geen Nederlanders waren en nooit zouden worden. Tegelijk was Irak of Syrië voor ons een kinderherinnering. Dat was ver weg. Dan pas je dus nergens bij. Op de vraag ‘Waar kom je vandaan?’ gaf ik heel lang als antwoord: ‘Uit het azc.’ Dat was de plek die ik als de mijne beschouwde. Wij zijn opgegroeid in de wachtstand.”

Hij beaamt met een glimlach dat elf jaar wachten onmenselijk is. Maar hoe gaat iemand daarmee om? „In het begin is het kleurrijk, met allemaal verschillende culturen. Pas als je uit het azc bent, besef je: het was vreselijk. Van vrienden weet ik dat ze nog worstelen met geaccepteerd worden, met bindingsangst en verlatingsangst. Dat asielzoekers constant verhuizen was onderdeel van het beleid. Ik ben in elf jaar twaalf keer verhuisd. Het maakt een mens onverschillig tegenover zijn omgeving.”

Ook Tobal werd onderworpen aan een ondervraging, zoals vader en dochter in Woestijnjasmijntjes. „Ik was net achttien. Ik kreeg de vraag waarom ik niet terugging, want ik was volwassen en kon mijn leven weer oppakken. Hoezo? Dat gesprek duurde vijf uur. Ik zag mezelf als een leuke, hippe jongen, iedereen vond me aardig; mijn wereld stortte in.

“Ik realiseerde me: de mensen die de samenleving bewaken vormen een ander volk dan de mensen ín die samenleving. Grenspolitie, de immigratiedienst: ze doen hun werk, maar kil en koud.”

Hij is gebleven. En hij is niet boos, zegt hij. „Ik heb wel bewezen dat ik geen profiteur of terrorist ben. Ik ben teleurgesteld dat ik zo lang moest wachten, al begrijp ik de procedure wel. Er is een gemeenschap, een land dat is opgebouwd en dan komt er iemand die wil mee-eten. Zijn Nederlanders daarom racistisch?”

Foto Sanne Peper

Hij vergelijkt het met hoe vluchtelingen in landen als Syrië, Irak en Marokko worden behandeld. „Irakezen en Palestijnen in Syrië werden beroofd, de vrouwen verkracht. Mijn vader zegt ook: ‘We moeten dankbaar zijn. We hebben elf jaar moeten wachten, dat was verschrikkelijk. Maar wat wij in Syrië hebben gedaan met vluchtelingen was veel slechter’.”

Het valt op hoe weerbaar en genuanceerd Tobal overkomt. „In mijn werk ben ik constant op zoek naar hoe de wereld werkt. Ik ben wel ongenuanceerd hoor, maar dan over de gaswinning in Groningen. Dat is hebzucht van alle tijden! Of de banken, dat zijn boeven! Maar migratie is ingewikkeld en heeft een morele dimensie. Daar zitten zoveel kanten aan.”

Kutarabier

In het derde en laatste deel van Wereldvrede toonden George & Eran aan hoe onmisbaar incasseringsvermogen is om tot vrede te komen. „Dat heb ik moeten leren. Ik bewonder het in Eran en in de Joodse cultuur: de zelfspot en het jezelf niet zo serieus nemen. Het helpt je om realistischer in het leven te staan.”

Het was ook Eran die hem er in die voorstelling op wees dat hij zich ‘kutarabier’ laat noemen en ook dan nog een arm om de ander heen slaat. Tobal: „Ik had dat pas door toen hij die tekst schreef. Hij had gelijk.” In de voorstelling zegt George dan: „Ik ben een brug. Iedereen loop graag over me heen.” Tobal: „Ik dacht: ik moet dat niet meer accepteren.” Dus de volgende keer dat Andries Knevel hem ‘kutarabier’ noemt, hoe ironisch bedoeld ook, krijgt hij een klap voor zijn kanis? Tobal lacht en zegt: „Misschien wel.”

Elke dag zoekt hij naar de juiste houding om aan te nemen, zegt hij. Dat moet vermoeiend zijn. „Ja, zeker. Ik kan wel heftig boos worden, maar tien minuten later voel ik me dan toch schuldig.” Ook uit angst: „Ik wil niet dat mensen denken dat ik die boze theatermaker ben. Dan hoor ik er niet meer bij en daar ben ik wel bang voor.”

Zijn ‘bewijsmodus’ noemt hij dat. „Ik wil nog altijd laten zien dat ik de goede ben. Rodaan Al Galidi schrijft in Hoe ik talent voor het leven kreeg: ‘Het azc is een gevangenis met de deuren open.’ In het azc dacht ik altijd: ‘Ik ben de goede, haal me uit de gevangenis, laat me meedraaien.’ Maar in dat goed zijn sloeg ik door, zoals Eran aantoonde.”

En nu is het constant balanceren. „Tijdens het lezen van Rodaans boek keek ik mijn vrouw aan en zei opeens: ‘Volgens mij zit ik nog steeds in het azc.’ Daarna begon ik heel hard te huilen. Omdat ik het gevoel heb dat ik nog niet volledig ben geaccepteerd. Het zijn misschien irrationele gevoelens, maar ik bedoel: ik ben geen vluchteling meer. Ik zit niet meer in het azc. Maar ik heb zolang gesnakt naar iemand die zei: ‘Je hoort erbij.’ Dat verlangen is gebleven.”

De Toneelmakerij i.s.m. George & Eran Producties: Woestijnjasmijntjes. Première: za 7 okt in De Krakeling, Amsterdam. Tournee t/m 1 dec. Inl: georgeeneranproducties.nl. George & Eran lossen de Wereldvrede op (3): reprise vanaf januari.