‘Sint-Maarten heeft helemaal geen eigen cultuur’

Sint-Maarten

De plunderingen op Sint-Maarten hebben de discussie over de vele illegalen verscherpt. Maar straks zijn goedkope arbeidskrachten volop nodig om het eiland weer op te bouwen.

Foto’s Joris van Gennip

Tussen geknakte palmen en vochtig puin op de boulevard van Philipsburg staat een reeks damesschoenen: knalroze pumps, instappers en blingblingsandalen, vrolijk op een rijtje naast een glitterjurkje dat aan een lantaarnpaal hangt.

„Ik heb ze buitengezet voor de plunderaars”, vertelt Ludmila de Weever van Island Blush, een strandwinkeltje op Sint-Maarten dat is leeggeroofd na orkaan Irma op 6 september. De ramp is twee weken oud als we haar ontmoeten. „Het waren niet de slimsten”, zegt ze. „Ze hebben maar één schoen van sommige paren meegenomen. Ik heb er niks meer aan. Ze mogen de andere schoen ook komen halen.” Ludmila blijft altijd positief. „Ik doe te veel yoga.”

Al dagen is dan ze met haar vader bezig de ravage op te ruimen die Irma en de plunderaars hebben achtergelaten. Ze vraagt zich af waar de andere winkeliers blijven. „Waar wachten ze op? Er verschijnt echt geen goede fee die hier gaat opruimen.”

Twee weken na de orkaan oogt het winkelcentrum, waar Indiërs juweliers- en elektronicazaken voor toeristen hebben, als een verlaten oorlogsgebied. In wat over is van de strandbars hangt dag en nacht alleen een groep vrijbuiters rond. Ze zuipen de voorraden op, roosteren stukken kip en pingpongen tegen elkaar op terrastafeltjes. „Yeah, man” grijnst een rossige vijftiger met lang haar. „Just livin’ the Caribian lifestyle.”

Dit is niet het Sint-Maarten dat Ludmila van haar jeugd kent. Ze verhuisde op haar twaalfde naar Washington D.C. en daarna naar het Verenigd Koninkrijk. Zes jaar geleden kwam ze terug naar de Antillen. „In een tijd als deze moet je elkaar helpen, maar mensen zijn egoïstisch geworden”, vindt ze. „Er zijn veel immigranten gekomen. Het ligt niet per se aan hen, maar de diversiteit heeft onze cultuur veranderd.”

Chloorsmaakje

Nu, een maand na Irma, probeert de eilandbevolking het leven op te pakken. Een paar winkeltjes zijn weer open, maar in de centrale Frontstreet willen veel winkeliers eerst veiligheidsgaranties. De meeste scholen zijn deze week heropend, gevluchte leraren worden teruggeroepen. De helft van de inwoners heeft elektriciteit en stromend water terug – soms met een chloorsmaakje. De buitenwereld is weer bereikbaar met telefoons, internet en binnenkort mogelijk weer met lijnvluchten.

Wat is er over van The Friendly Island, zoals Sint-Maarten op kentekenplaten heet? Sommige buren en buurten vangen elkaar op en ruimen samen puin, vertellen inwoners. De oproep aan iedereen is: blijf positief.

Maar de plunderingen, door veel Sint-Maartenaren toegeschreven aan illegalen of hun kinderen, hebben de oude discussie over deze migranten verscherpt. De omgangsvormen op het eiland zijn door de jaren verhard en mensen zijn vervreemd, zeiden mensen na de ramp op straat.

Op de radio heeft premier Marlin alle eilanders, legaal of niet, opgeroepen voor elkaar te zorgen. „Of je van China, Japan, India, Guyana of Suriname komt”, zei hij. „Niemand is gedwongen hier te komen. We moeten allen onze mouwen oprollen.”

Veel Sint-Maartenaren zijn bijna alles kwijt: hun huis, hun baan, hun toekomst. Inmiddels zouden 10.000 toeristen en bewoners zijn geëvacueerd, schreef The Daily Herald. Met minder voorzieningen en werkgelegenheid is dat nu niet erg, aldus de lokale krant, maar een leegloop kan het kleine eiland niet gebruiken. Voor de wederopbouw zijn straks weer vele handen nodig, waarschijnlijk juist die van goedkope, illegale arbeidsmigranten.

Zo loopt Sint-Maarten leeg en dan weer vol. In de nasleep van orkaan Louis (1995) daalde het inwonertal met zo’n 5.000 mensen en was het na tien jaar weer op het oude niveau.

De exodus begint met hopen op een noodvlucht. Twee weken na de orkaan stond Elizabeth Boutiff in de lange rijen voor het vliegveld. Ze is op Dominica geboren en naar Sint-Maarten geëmigreerd. Ze wil haar zonen Sergio (16) en Silvio (14) op een vlucht naar hun vader op Aruba te krijgen. Hun zus Sidonia (24) zegt: „Ik heb het gevoel dat ik hier moet blijven.” Maar kan ze wel bij de souvenirwinkelketen Shipwreck Shops blijven werken? „Alles is kapot.”

120 nationaliteiten

De lokale overheid schat de officiële bevolking van het Nederlandse deel van Sint-Maarten op zo’n 40.000 mensen, 10.000 meer dan in 1990. Tweederde van hen is niet geboren op Sint-Maarten en komt veelal van omringende Antilliaanse eilanden, Haïti, de Dominicaanse Republiek of Jamaica. Op het hele eiland zouden 120 nationaliteiten samenleven.

Daarnaast wonen er duizenden illegalen op Sint-Maarten; het Openbaar Ministerie op het eiland denkt zelfs 40.000, evenveel als bewoners met papieren. Ze worden vaak uitgebuit in de bouw, op het land, als dienstmeisje of in de prostitutie. Of ze gaan in de criminaliteit.

Ze worden vaak uitgebuit in de bouw, op het land, als dienstmeisje of in de prostitutie

Het eiland was voor de orkaan kwam te vol, zeggen bewoners. Het verkeer op de smalle doorgaande wegen staat voortdurend vast – pas toen de benzine na Irma opraakte, konden puinruimers en hulpverleners zich vrij over het eiland bewegen.

„Het is lullig, maar dit was nodig”, zei verzekeraar Mano van der Camp tussen de ruïnes van hotels en casino’s in de wijk Maho. „Sint-Maarten is overvol. Er zijn te veel restaurants, te veel diensten, te veel illegalen.”

„Ik denk dat het migratiebeleid zal veranderen en strenger wordt”, vertelde pastoor Winston A. Le Blanc, bij het vliegveld. Zijn apostolische kerk in Sucker Garden, aan de oostkant van het eiland, was door de orkaan gespaard – God aan zijn zijde.

Vroeger durfde de 72-jarige pastoor zijn geld op tafel te laten liggen. „Nu is er meer criminaliteit en geweld, gebrek aan respect en minder eenheid. De mix van culturen heeft mensen egoïstisch gemaakt.” Dat veranderde na de orkaan Louis (1995). „Toen zijn we illegalen gaan accepteren. Mensen gingen bouwen, we hadden werkers nodig. Die brachten familie mee. Louis was slecht, maar dát was twee keer zo slecht. En als je ze tegenhoudt op het vliegveld, komen ze per boot.”

Import

Niet iedereen ziet de tegenstellingen op het eiland groeien. „Sint-Maarten is nog steeds het vriendelijke eiland”, zegt een maand na de ramp Roland Joe, een rastafari en muzikant met twee boerderijen en een restaurantje dat biologisch eten serveert. „Daarom komen mensen uit de hele wereld hierheen.”

„Er zijn wel veel illegalen, daarvoor moeten we een oplossing vinden”, zegt hij. „Ze komen hier voor de dollar. Ze werken hard voor een minimumloon dat verveelvoudigt als ze het omwisselen in hun valuta.”

Maar het zijn politici die verdeeld zijn en verdeeldheid zaaien, volgens Roland Joe. „En het zijn de lokale bewoners die anderen de schuld geven van hun eigen fouten.”

Hoeveel lokale Sint-Maartenaren zijn er bovendien, vraagt hij. „Dat is de eerste fout. De bevolking is 100 procent import.” Zelf komt Roland Joe uit Curaçao en zijn vrouw, met wie hij 29 jaar samen is, uit de Dominicaanse Republiek. „Sint-Maarten heeft helemaal geen eigen cultuur.”