Recensie

Overdadige orkestorgie over verdronken bootvluchtelingen

In de ZaterdagMatinee klonken dit weekend twee belangrijke premières. Vooral het stuk van Pascal Dusapin (1955) imponerde door de vanzelfsprekende schoonheid.

Foto Richard Haughton

Met de ingenieuze metafictie van Flann O’Briens roman At Swim-Two-Birds heeft het gelijknamige nieuwe dubbelconcert van Pascal Dusapin niks te maken. Aldus de componist. Dusapin las O’Briens verhalenlabyrint met veel genoegen en vond het een mooie titel. Zijn compositie klonk ook nergens postmodern of satirisch, maar juist vertrouwd Dusapins. Hij schreef het werk voor het solistenechtpaar Viktoria Mullova (viool) en Matthew Barley (cello), die de wereldpremière verzorgden in de NTR ZaterdagMatinee. Ook vertrouwd: de hoge uitvoeringskwaliteit van het Radio Filharmonisch en Markus Stenz.

Aanvankelijk klonk At Swim-Two-Birds zelfs een beetje té vertrouwd. Dit organisch zwellende klankwoelen, met fluorescent metalen slagwerk en allerhande kleureffecten, voortgestuwd door een gloeiende lavastroom van strijkers, vormt zo ongeveer Dusapins handtekening. Maar zonder enige sensatiezucht wist hij toch weer te verrassen, bijvoorbeeld door een simpele dalende toonladder zo in te bedden dat die het aura van een openbaring kreeg.

Mullova en Barley duelleerden niet met het orkest, maar maakten zich er tastend uit los, traag en met grote melodische sprongen. Fascinerend was hun vinnige interactie in de cadens, die klonk als een gevandaliseerde versie van Arvo Pärts Fratres. Hoewel Dusapins obsessief omspelen van tooncentra grilliger was, bezat ook At Swim-Two-Birds een soort quasi-tonale vanzelfsprekendheid en schoonheid.

Er was nog een belangwekkende première. De Tweede symfonie (2016) van Thomas Larcher ging voor het eerst in Nederland. De ondertitel Kenotaph (‘leeg graf’) verwijst naar de talloze verdronken bootvluchtelingen aan de Europese zuidgrens.

Op papier is Kenotaph een traditionele vierdelige symfonie. Maar deze woedende, ultradynamische orkestfantasie was vooral een orgie van gedaanteverwisselingen. Het klonk virtuoos, fonkelend en imposant – maar op den duur ook overdadig. Hoe mooi de individuele momenten ook waren, dikwijls eclipseerden ze elkaar in eenvormigheid. Pas wanneer Larcher fluisterde, zoals in de schitterende treurmuziek van het slot, was hij werkelijk verstaanbaar.