Geld genoeg, maar scholen moeten er te veel tegelijk mee

Huishoudboekje van de basisschool Schoolbesturen hebben meer geld per leerling gekregen. Maar hun kosten stegen nog meer, zeggen ze, net als de verwachtingen.

Met wanddecoraties (links en midden) in plaats van verf en oude computers (rechts) probeert basisschool De Wynwizer in Leeuwarden geld over te houden voor onderwijs. Foto’s Kees van de Veen

Wie basisschooldirecteur is, zegt Jan Bosscha terwijl hij in zijn werkkamer met een stift getallen op een whiteboard schrijft, is ook ondernemer. Een papieren taalmethode kost 15.000 euro met een afschrijvingsduur van acht jaar, voor een digitale methode ben je jaarlijks 3.000 euro kwijt aan licentiekosten. „Je krijgt één budget en daarbinnen moet je creatief zijn.”

Hoe hij dat doet, laat hij al wandelend zien door openbare basisschool de Wynwizer in Leeuwarden. In het lokaal van groep zeven is één wand niet geverfd. Aan de bakstenen muren hangen gekleurde platen, dat was goedkoper dan verf. Er is een kopieerprotocol om de kosten te drukken. Leerkrachten vegen zelf hun lokalen aan, want de schoonmaker heeft maar vier minuten per ruimte. Er zijn dertig tablets voor 350 leerlingen en twee computers per groep – de school spaart voor één tablet per twee leerlingen.

Dit vindt hij het ergste: „Als school wil je vooroplopen, maar wij lopen altijd achterop. We hebben te weinig investeringsruimte. De afschrijvingstermijnen zijn nog gebaseerd op krijtborden, terwijl een digibord veel duurder is en korter meegaat. Je wilt eigentijds onderwijs geven, met behulp van werkende ict, maar het blijft gerommel in de marge.”

De financiële positie van basisscholen is een heikel onderwerp. Schoolbesturen – met sectororganisatie PO-Raad voorop – zeggen dat ze te weinig geld van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) krijgen om aan alle eisen te voldoen. Maar het ministerie zegt: we geven genoeg, want de cijfers zijn zwart en de kwaliteit is goed. „Sober maar toereikend”, noemde demissionair staatssecretaris Sander Dekker (VVD) het bedrag.

Onderzoeken onderbouwen de klacht van schoolbesturen. Zo schreef de Algemene Rekenkamer in 2013: „Het evenwicht tussen wat scholen aankunnen en wat er van ze gevraagd wordt, is wankel.” Adviesbureau Berenschot meldde in februari dat de uitgaven van basisscholen voor gebouwonderhoud en lesmateriaal tussen de 11 en 35 procent hoger zijn dan zij ervoor ontvangen. En economisch onderzoeksbureau SEO concludeerde onlangs dat basisscholen genoeg geld krijgen om niet als ‘zwak’ te worden bestempeld, maar te weinig om aan alle extra wensen van politiek en maatschappij te voldoen.

Warmetruiendag

Hoe komen basisscholen aan geld? Het ministerie van OCW verdeelt jaarlijks geld over de ruim duizend schoolbesturen in het primair onderwijs. In totaal gaat dat om zo’n 10 miljard euro (inclusief speciaal en passend onderwijs, 8 miljard euro zonder). Het bedrag is een som van 25 berekeningen en wordt onderverdeeld in een gedeelte voor salarissen en een gedeelte voor ‘materiële’ zaken als onderhoud en lesmateriaal. Een bestuur mag het geld naar eigen inzicht over de scholen verdelen. Daarnaast zijn er nog extra potjes van Rijk en gemeenten, voor achterstandsleerlingen (dat potje slinkt al jaren) en speciale programma’s als cultuureducatie.

Van elke tien euro zijn er ongeveer acht voor salarissen bestemd en twee voor ‘materiële kosten’: gas, water en licht bijvoorbeeld. Maar die 20 procent is niet altijd genoeg om alle vaste lasten te dekken – de normbedragen van het ministerie voor schoonmaak, gebouwonderhoud en lesmethodes zijn soms lager dan in de werkelijkheid. „Je kunt één keer een warmetruiendag houden in de winter, maar je kunt niet structureel de verwarming uitzetten”, zegt Albert Helder van schoolbestuur Proloog, waar de Wynwizer en 22 andere basisscholen onder vallen. Vaste lasten worden daarom door sommige schoolbesturen uit de salarispot betaald. „Als we niet uitkomen, gaan we failliet.”

Kaasschaafeffect

De krappe financiering veroorzaakt een kaasschaafeffect, zeggen Ewald van Vliet en Ben de Wilde van schoolbestuur Lucas Onderwijs (vijftig basisscholen) op hun werkkamer in Den Haag. „Schooldirecteuren moeten slimme keuzes maken. Sommigen doen de conciërges eruit, anderen maken klassen groter. We zien ook dat ze langer doen met lesmethodes of bezuinigen op schoonmaak – dan vragen ze ouders twee keer per jaar het lokaal grondig schoon te maken.”

Over het algemeen worden besparingen zo lang mogelijk buiten de klas gehouden, zegt De Wilde. „Een school heeft docenten een tijdje een eigen bijdrage voor de koffie gevraagd. Men kiest daarvoor omdat de prioriteit in de klas ligt, bij het onderwijs.”

Met de huidige bekostiging, zeggen ze, kan Nederland best goed onderwijs geven. „We presteren internationaal goed voor een laag bedrag. Maar als we een kenniseconomie willen blijven, dan moeten we investeren. En door het gebrek aan middelen blijven die investeringen uit. Het basisonderwijs bevindt zich op een glijdende schaal.”

Schooldirecteuren moeten slimme keuzes maken. Sommigen doen de conciërges eruit, anderen maken klassen groter

In de overzichten is van ‘kaasschaven’ niets terug te zien: het ministerie is juist meer geld gaan uitgeven aan het basisonderwijs. In 2015 was dat 5.100 euro per leerling, dit jaar 5.700 euro (en 6.600 euro inclusief speciaal en passend onderwijs). Scholen staan er over het algemeen financieel goed voor, oordeelde de onderwijsinspectie vorig jaar nog. Hoe strookt dat met het beeld dat basisscholen schetsen? Ja, de baten stijgen, zegt een woordvoerder van de PO-raad, maar de kosten stijgen harder. „Dat komt door zaken als krimp, verzuim, snel stijgende pensioenlasten en stijgende schoonmaak- en onderhoudskosten.”

Schoolbesturen kunnen hun hoge kosten inderdaad moeilijk aantonen, ziet ook de PO-raad. Ze moeten het wel redden met het geld dat ze krijgen, anders gaan ze failliet. En het gevolg van de in 2006 ingevoerde lumpsumfinanciering – één bedrag per schoolbestuur – is dat besturen grote vrijheid hebben in hoe zij hun geld besteden. Tegelijk is daardoor moeilijk te zien waar elke euro naartoe is gegaan. De verantwoording daarvan gebeurt op bestuurs- en niet op schoolniveau.

Maar het gevoel dat die scholen hebben is dit: de verwachtingen van maatschappij en politiek zijn veel groter dan voor dit bedrag valt waar te maken. Behalve goed onderwijs leveren heeft Den Haag allerlei aanvullende wensen. Zo dient een derde van de leraren academisch geschoold te zijn, moet een groter percentage kinderen zich veilig voelen op school en moet het Nederlandse onderwijsstelsel tot de best presterende van de wereld behoren. Scholen zijn verplicht zorgleerlingen passend onderwijs te bieden. Vanaf 2020 moeten gebouwen energieneutraal zijn.

Reëel verwachtingspatroon

En dan zijn er nog eisen van de samenleving: burgerschapsonderwijs, radicalisering voorkomen, homo-emancipatie bevorderen, goed aansluiten op het bedrijfsleven. En van ouders: goede ict-middelen, een fijn schoolgebouw, persoonlijke aandacht voor je kind. „Al die wensen afzonderlijk klinken redelijk”, zegt Ewald van Vliet van Lucas Onderwijs. „Maar tel je ze bij elkaar op, dan dringt zich de vraag op: is dit verwachtingspatroon nog reëel? Zijn scholen in staat dit waar te maken en worden ze hier adequaat voor bekostigd?”

Dat, zegt hij, in combinatie met het lage salaris en uit de hand gelopen bureaucratisering, maakt dat basisschoolleraren zeggen: nou is het genoeg geweest. Daarom gaan ze staken. „Wat ook meespeelt, is dat het vak complexer is geworden door de toestroom van verschillende bevolkingsgroepen en een toename van leerlingen met gedrags- of leerstoornissen.”

De financiële posities van basisscholen verschillen. Het ene bestuur is rijker dan het andere, regio’s kennen specifieke problemen. Bij het Friese Proloog zorgt krimp voor hoge kosten (elke dorpsschool heeft een eigen gebouw), terwijl bij de begroting van het Haagse Lucas Onderwijs het teruglopende budget voor achterstandsleerlingen een rol speelt. Ook speelt de financiële staat van de gemeente een rol; die is verantwoordelijk voor e nieuwbouw en uitbreiding van scholen.

Directeur Bosscha van de Wynwizer zegt, nadat zijn whiteboard is volgeschreven met bedragen: „De school moet zich kunnen richten op de lessen. Wij zijn door de krappe financiering te veel bezig met randvoorwaarden. Het gaat nog goed, je past je aan. Maar in het onderwijs is het als met die kikkers in de pot: het garen gaat langzaam, zodat je niet doorhebt dat je uiteindelijk wordt gekookt.”