Franca Treur leest voor uit haar nieuwe roman

Voorpublicatie

Ina groeit op bij haar opa en diens twee ongetrouwde zussen Ma en Sjaan. Franca Treur leest voor uit haar nieuwe roman Hoor nu mijn stem.

Luister hier het hele fragment

Katten riepen ’s nachts…

In het huis waar ik opgroeide, leidden we een doodstil leven, op een doodstille plek niet ver van de zee. Dat leven paste bij ons. Dat soort mensen waren wij. Wij lieten ons de stilte niet afnemen door stereotorens, radio’s of televisies. Onze oren waren geschapen om te luisteren naar het schikken van de bladeren aan de bomen, naar het suizen van de leidingen. ’s Nachts was er de wind die blies waarheen hij maar wilde, en als die zich rustig hield waren er de kikkers, de uilen en de katten van de Verhagens. Katten riepen ’s nachts machtig interessante dingen naar elkaar. Om zes uur begon onze haan, die nooit stopte voor ik op school was. Soms hoorden we een scheepshoorn, het mooiste geluid dat er bestaat. Overigens zagen we de zee bijna nooit. We zagen de weilanden en de akkers, de smalle weg met af en toe een auto, een fiets of een langslopend mens.

In onze nette kamer was de stilte maximaal, de stilte had er zelfs een echo. Ik probeerde daar niet te veel naar te luisteren, concentreerde me op datgene wat ik aan het lezen was, of op een plek op de muur, bijvoorbeeld daar waar de foto van mijn ouders hing, glimlachende mensen hand in hand, veel te jong om de ouders te zijn van een kind van bijna twaalf. Of desnoods op de brillenglazen van tante Ma, die haar beige gezicht nog ouder deden lijken dan het al was, zoveel ouder dan de moeders van andere meisjes.

Natuurlijk spraken we ook met elkaar, maar het praten nam nooit veel tijd in beslag. Mijn opa en zijn zussen kenden elkaar al zo lang dat er weinig meer te zeggen viel. En ikzelf praatte bij vlagen. Soms had ik ellenlange verhalen, maar ik moest er een beetje voor in de stemming zijn.

Tante Ma, die dus niet…

Tante Ma, die dus niet mijn tante maar mijn oudtante was, praatte nog het meest. Met haar stem nam ze bezit van de nette kamer, alsof ze haar territorium afbakende. Ze zei soms echt vreemde dingen. Dat ze weinig had geslapen, maar dat het een aanbiddelijke nacht was geweest. Dan had ze weer eens gemeenschap der heiligen gehad met de ontslapen ziel van haar oude vriend Jan. O, zo zoet, zo wonderlijk, zei ze dan, en dan keek ze peinzend in de verte alsof daar nog een restje Jan-ervaring in de lucht hing, met ogen die van binnenuit leken te worden verlicht. Wat er dan precies gebeurd was, bleef met mysterie omhuld. Ze kon er geen woorden voor vinden, die wij, gewone stervelingen, konden begrijpen.

Ik wist ook nooit iets terug te zeggen.

Tante Sjaan zei nooit iets uit zichzelf, alsof ze zich afvroeg waarom mensen eigenlijk praatten. Haar levensdoel leek het om niet op te vallen, en dat lukte haar fantastisch. Ze kon gewoon aan tafel zitten of aan het aanrecht bezig zijn zonder dat je haar werkelijk zag, tot haar maag luid rommelde en je je ineens realiseerde waar dat geluid vandaan kwam. Ze was niet klein en niet groot, en ze had wittig dons op haar wangen als de zon erop scheen. Op sommige momenten, als ik haar vanuit een bepaalde hoek bekeek, had ze het gezicht van een lief oud mannetje, terwijl ze een stuk jonger was dan opa en tante Ma. Ze had een voorliefde voor aardappels, geweckte peertjes, en van tarwemeel gebakken dingen, alles wat het minste kostte. Ze was absoluut niet stom, al leek dat soms zo. Ze kon alles wat andere mensen konden, maar ze leek nergens belangstelling voor te hebben. Het enige waar je haar kwaad mee kon krijgen was met kleverige handen aan haar kleren zitten.

Het enige waar je haar kwaad…

Toen ik klein was ging ze nog elke dag naar haar werk, maar op het gemeentehuis kregen ze een computer met een knop die in een seconde het werk deed dat zij bijna dertig jaar lang elke dag van acht tot vijf had gedaan, en sinds ze was afgevloeid deed ze hier het huishouden, zodat tante Ma een stapje terug kon doen. Ze naaide ook mijn rokken, omdat je nergens meer fatsoenlijke rokken kopen kon, want de duivel had alle modekoningen in zijn klauwen.

Ik hielp tante Sjaan met de afwas, met de aardappels, en soms haalde ik voor haar de bedden af. Dan praatte ik ondertussen tegen haar, en dan gaf ze vaag de indruk te luisteren. De nette kamer mocht ik niet doen, daar waren de tantes ontzettend precies op. Het was tante Sjaan en tante Sjaan alleen die daar de boel afstofte. Alsof ik dat érg vond!

In mezelf noemde ik die kamer het Heilige der Heiligen. Toen de tantes jong waren werd die kamer alleen op zondag gebruikt, nu zaten we er ook doordeweeks. Maar met mijn oude kleren mocht ik niet op de bank zitten, en dan bleef ik net zo lief maar in de achterkamer, omdat ik eerst al mijn schoolkleren had moeten uittrekken om buiten te mogen spelen. Voor je het wist deed je niks anders dan kleren uittrekken en aantrekken.

De nette kamer mocht ik niet…

Het enige leuke van de nette kamer was opa z’n lekkere stoel. Daar bracht hij zijn pensioen in door. De koningin zat niet lekkerder dan mijn opa, en zijn comfort straalde ook op ons af. Zelfs de lichamen van de tantes kwamen ervan tot ontspanning. Op sommige avonden leek het erop dat geen van drieën ooit nog overeind ging komen, alsof de ondergang van de wereld al geweest was en ik alleen was overgebleven met de leeggelepelde advocaatglaasjes.