De plek waar Arthur Japin liever geen bezoek ontvangt

Schrijver Arthur Japin heeft een huis met een bos in de Dordogne. „We zijn er om te werken en de energie van anderen stoort daarbij.”

Foto Hans Heus

„Vijftien jaar geleden stond ik aan de rivier de Vézère en kreeg ik tranen in mijn ogen”, zegt schrijver Arthur Japin. „Ik werd overvallen door een gevoel van: hier hoor ik, hier moet ik zijn.” Samen met zijn twee geliefdes ging hij in de omgeving op zoek naar een huis. Sinds tien jaar hebben ze deze plek in de Dordogne. „Er moest ontzettend veel aan gebeuren, veel meer dan we aanvankelijk dachten. Als je eenmaal bezig bent, wil je het ook perfect hebben.” Nu het huis klaar is, is het bos eromheen aan de beurt. Vriend Ben heeft zich gestort op een heuvel, dicht begroeid met bomen. „Dat bos is hij aan het uitdunnen en het effect daarvan is waanzinnig. Het zonlicht door de bomen is prachtig en we zien everzwijnen, vossen en vogels. De herten komen nu soms tot aan de keuken.”

De afgelopen twee jaar woonden de drie mannen de helft van het jaar in Frankrijk. Bezoek van vrienden en familie proberen ze tot een minimum te beperken. „We zijn er om te werken en de energie van anderen stoort daarbij.” Iedereen heeft zijn eigen werkkamer: Lex, die ook Japins uitgever is, houdt kantoor in het kleine huisje, Ben werkt in het midden van het huis en Arthur in de toren. Elke dag ontbijten, lunchen en eten ze met z’n drieën. ’s Avonds kijken ze een film of de registratie van een toneelvoorstelling, geprojecteerd op een groot scherm. „We hebben geen televisie, ik zie geen Nederlandse programma’s, de wereld blijft op afstand. We laten alleen toe wat we willen toelaten.”

Foto Hans Heus

Als hij thuis is in het centrum van Utrecht mist hij het bos en de rust van Frankrijk. Dat hij zo van de natuur kan genieten, ontdekte hij vrij laat in zijn leven. „Ik ben een stadskind.” Hij heeft een anekdote over hoezeer dat in zijn systeem zit. Toen hij tien jaar geleden voor het eerst door zijn eigen bos liep, zag hij iets bewegen. Iemand op een brommertje, dacht hij. „Het ding dat door het bos bewoog, had ongeveer die snelheid. Ik vroeg me nog af hoe je daar met een brommer kwam, want er zijn in ons woud geen paden. Toen pas zag ik het gewei van een edelhert. Mijn hersens hadden een halve eeuw in de stad doorgebracht en waren nog niet gewend om te denken in dit nieuwe kader.”

Nog zoiets: „De grootste openbaring hier was dat roodborstjes echt tegen het raam tikken. Als ik zit te werken, tikken ze op het glas. Ik dacht dat dit alleen in het liedje zo was.”