De minister die het zo lang volhield

Jeanine Hennis-Plasschaert

Jeanine Hennis-Plasschaert handhaafde zich vijf jaar lang op het lastige ministerie van Defensie. Nu lijkt haar reactie op het Mali-rapport de favoriet van Rutte fataal te worden.

Minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) twee weken geleden met commandant der strijdkrachten Tom Middendorp. Hennis’ politieke toekomst staat dinsdag op het spel. Middendorp vertrekt donderdag als hoogste generaal. Foto Koen van Weel/ANP

Toen de kabinetsformatie nog maar net begonnen was, grapte Jeanine Hennis tegen premier Mark Rutte: wacht nog maar even met dat kabinet, dan ben ik straks de langstzittende minister van Defensie ooit. Ook in een toespraak zei Hennis, vanuit de VVD nauw betrokken bij de onderhandelingen, om die reden: „Ik doe er werkelijk alles aan om het formatieproces zo veel mogelijk te rekken.”

De langstzittende Defensieminister wordt ze niet, dat record blijft in handen van Cornelis Staf, uit de drie kabinetten-Drees. Maar sinds de jaren vijftig hield geen minister het zo lang vol op het lastige departement.

De formatie lijkt voor Jeanine Hennis-Plasschaert (44) net iets te lang te hebben geduurd. Dinsdagmiddag moet ze zich in de Tweede Kamer verantwoorden voor een vernietigend rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). Wat op 6 juli 2016 een vreselijk ongeluk leek met een vroegtijdig ontplofte mortiergranaat die twee militairen doodde en een derde zwaar verwondde, blijkt een illustratie van structurele misstanden binnen de krijgsmacht. Defensie is volgens de OVV „ernstig tekortgeschoten” door steeds de voortgang van internationale missies te laten prevaleren „boven de aandacht voor veiligheid” van de eigen militairen.

Al zijn de mortieren aangeschaft voordat Hennis aantrad, zij is nu politiek verantwoordelijk. Het meest waarschijnlijke scenario, zo is te horen in Den Haag, is dat ze het dinsdag niet op een stemming laat aankomen en de eer aan zichzelf houdt.

Hennis’ eventuele aftreden zou een groot verlies zijn voor de VVD, waar zij tweede op de kandidatenlijst stond en geldt als lieveling en zelfs mogelijke opvolger van Mark Rutte. Maar het is vooral een deceptie voor Hennis zelf, die zich vijf jaar lang uiterst behoedzaam heeft gehandhaafd op een vrijwel onbestuurbaar ministerie.

Een moeilijke baan

In 2012 was Jeanine Hennis nog een grote verrassing in het kabinet. Als Kamerlid zonder enige bestuurlijke ervaring werd zij in één keer minister. En dat op een departement met 60.000 militairen en burgermedewerkers dat zij helemaal alleen moest bestieren: Rutte I had de staatssecretaris van Defensie wegbezuinigd. Daarmee werd zij verantwoordelijk voor alles: van de arbeidsvoorwaarden tot internationale missies en de aanschaf van de Joint Strike Fighter (JSF).

Al snel besefte Hennis dat ze naast een eenzame ook een moeilijke baan had aangenomen. Al tijdens haar eerste briefings bleek dat ze de zwaarste klappen moest verwerken van een bezuiniging die het kabinet vóór haar had doorgevoerd. Er moest in totaal ruim 1 miljard euro minder worden uitgegeven. Hennis zou zesduizend mensen moeten ontslaan. Ook haalde ze zich de woede van militairen op de hals omdat een belastingmaatregel dramatisch voor hen uitpakte.

En dan moest ze ook nog, grapt Hennis vaak, alle rangen en standen binnen de krijgsmacht uit haar hoofd leren. Een placemat met alle stars and stripes moest haar behoeden voor foutjes als er weer een majoor of generaal haar kantoor inkwam.

Henk Kamp, VVD-minister van Economische Zaken, had zijn partijgenoot gewaarschuwd. De eerste drie maanden moet een nieuwe minister „watertrappelen”, had hij gezegd. Daarna blijf je drijven. Een waardevolle les, vond Hennis, die besloot rustig te beginnen op Defensie door eerst de organisatie te leren kennen en niet meteen hoog van de toren te blazen.

Toch duurde het watertrappelen lang, viel Tweede Kamerleden op. Hennis kwam in debatten vaak moeilijk uit haar woorden. Veeg teken: Kamerleden durfden openlijk in de media te zeggen dat de minister optrad als „doorgeefluik van haar ambtenaren”, dat ze „ingestudeerd” klonk en „de schroom van zich moest afwerpen”.

Hennis zag het ook: ze was zichzelf niet. Ambtenarenwoorden als „behoeftestelling” of „bronmaatregelen”, die pasten haar niet. In haar periode als Europarlementariër (2004-2010) en Tweede Kamerlid (2010-2012) stond Hennis juist bekend als goedlachse, vrolijke flapuit. Typisch Hennis-antwoord op de vraag of ze als vrouwelijke minister kwetsbaarder zou zijn op Defensie: „Voor iedere bewindspersoon geldt dat er altijd mensen zijn die hopen dat je struikelt. Daarvoor maakt het niet uit of je een piemeltje hebt of niet.”

Successen

Langzaam kwamen de successen. Onder Hennis kwam er eindelijk een einde aan de discussie over de omstreden aanschaf van het gevechtsvliegtuig JSF, die zij met steun van de PvdA door het parlement loodste.

Haar internationale optreden viel positief op. De samenwerking tussen de Nederlandse en de Duitse krijgsmacht werd geïntensiveerd, waardoor Nederland weer met in 2011 nog wegbezuinigde tanks kon werken. Plusjes voor de persoonlijke pr: in een iglo slapen met mariniers, parachutespringen met de commando’s. Ze werd zichtbaar vrolijker en meer ontspannen.

Alleen in crises en debatten bleef ze soms worstelen, zoals bij het schandaal rond de giftige chroomverf waar Defensiepersoneel in de vorige eeuw mee had gewerkt en bij een slepend ICT-debacle. Dan verkrampte haar gezicht, verviel ze weer in jargon en deed ze alles af door de Kamer wéér een aanvullend onderzoek aan te bieden.

Door oppositiepartijen is met verbijstering gekeken naar Hennis’ optreden de afgelopen week. Haar karakter maakte haar de ideale minister om sympathiek op te treden tegen de nabestaanden en haar eigen beperkingen te onderkennen. Maar haar reactie was, zeker in eerste instantie, stuntelig en kil.

Hennis kan nog altijd rekenen op een grote gunfactor, ook bij de oppositie. Niemand in de Tweede Kamer lijkt haar graag te zien gaan. Van partijgenoot Kamp, die ook minister van Defensie is geweest, heeft Hennis geleerd hoe je een probleem aanpakt. Je analyseert het, deelt het in brokken op en bedenkt een verdedigingsstrategie. Of dat deze keer genoeg is, is zeer de vraag.