Recensie

De Stones willen wel, maar het lukt niet meer

De Rolling Stones speelden in de Amsterdam Arena al hun hits. Maar dat ging niet vlekkeloos. Het is spijtig vast te stellen dat er coverbands zijn die het materiaal beter spelen dan de Rolling Stones zelf.

Foto Andreas Terlaak

Je moet bijna wel van deze blije rockveteranen blijven houden. Charlie die achter zijn drumstel vandaan kwam om zijn oranje sokken te tonen. Keith die zelf moest lachen om zijn „thank you very Dutch”. De kortgeleden nog ten dode opgeschreven Ronnie die een rondedansje van een halve minuut mocht maken: „Kijk eens, ik lééf nog!” En de geheel vernieuwde, opvallend vriendelijke Mick Jagger met zijn elastieken benen op lichtgevende sneakers. Bijna al zijn aankondigingen had hij in het Nederlands ingestudeerd: „Ve verrmaken ons purrima.”

De Rolling Stones brachten zaterdag het circus naar de stad. Nadat ze vijf jaar geleden hun vijftigjarig bestaan vierden, gaf de verjaardag van Ron Wood (70) het startschot om samen als zeventigers op tournee te gaan. Dat er artistiek al dertig jaar niet veel schot meer in zit, doet niet ter zake. De Stones hebben hun geschiedenis, hun enorme rij hits en de reputatie als ‘Greatest Rock-’n-Roll Band in the World’ om volle stadions te trekken.

Met Sympathy for the Devil als opener en Satisfaction bij het traditioneel afsluitende vuurwerk kon het eigenlijk al niet meer kapot. De nummerkeuze op deze ‘No Filter Tour’ is in grote lijnen dezelfde als die van de ‘Steel Wheels Tour’ uit 1989. Belangrijke nieuwe toevoegingen zijn er sindsdien niet meer bij gekomen, al beleefden de Stones vorig jaar een kleine opleving bij het album met bluescovers Blue & Lonesome. Daarmee pakten ze iets terug van de oorspronkelijke inspiratie waarmee ze in 1962 hun band begonnen. In Amsterdam lieten ze met Buddy Johnsons Just Your Fool en Ride ’Em On Down van Jimmy Reed horen dat het vuur van de blues nog bij ze smeult.

Gitaarspel

Een rockband is zo goed als de zwakste schakel, en gevreesd moet worden dat Keith Richards (73) de eerste is die niet meer mee kan komen. Als ster naast Jagger werden zijn intro’s en gitaarpartijen keihard in de mix gegooid. Om daarna weer snel zachter gezet te worden, wanneer ‘Keef’ zijn zoveelste vreselijke misser maakte. Met een houterig It’s Only Rock ’n Roll (But I Like It) werd meteen al duidelijk dat de Stones een heleboel aan magie en dynamiek hebben ingeleverd. Wood en Richards spelen nog wel striemende gitaarakkoorden, maar hun partijen vloeien niet meer naadloos samen tot de soepele rockmachine die ze ooit waren. Al te vaak klonk Keiths gitaarspel alsof er een mortiergranaat boven het samenspel van de anderen werd losgelaten. Zijn intro van Brown Sugar was kreupel en in Tumbling Dice haalde hij zelf alvast maar zijn schouders op: dit klonk nergens naar.

Veel hing af van het charisma van Mick Jagger (74), die zich uitleefde in het zelden gespeelde verzoeknummer Shine a Light en die in de meezinger You Can’t Always Get What You Want een klik had met het verder nogal tamme publiek. Paint it Black werd met elektronische middelen ondersteund en omwille van de nostalgie in zwart-wit weergegeven op de videoschermen. Honky Tonk Women mondde uit in een pianosolo die harmonisch vloekte met de losse flodders die Ron Wood er op gitaar doorheen ragde. Meer dan eens was het beschamend hoe slecht de Rolling Stones vorm gaven aan songmateriaal dat er na al die jaren toch wel in had mogen zitten. Een dieptepunt was het verplichte blokje zangnummers van Keith. De oude rockpiraat zong Happy en Slipping Away zo vals als je opa op een verjaardagsfeest na een halve liter jenever.

Schaduw

Start Me Up haperde, Midnight Rambler kwam niet van de grond en in Gimme Shelter vocht Jagger een krampachtig schreeuwduel uit met zangeres Sasha Allen. De Rolling Stones zijn een schaduw geworden van het grote rockfenomeen dat ze waren en zijn. Live hebben ze weinig meer van de rebelse furie die ze in hun hoogtijdagen op het publiek los konden laten. Alle stoelen bleven netjes op hun plek.

Zeker de helft van de songs die ze speelden stamden uit de jaren zestig. Alleen You Got Me Rocking kwam uit de nineties en recenter materiaal zat er niet bij. Het is spijtig om vast te moeten stellen, maar er zijn legio coverbands die dat beproefde materiaal beter spelen dan de Rolling Stones zelf. De band komt nog naar het Gelredome en daarna moet het maar eens afgelopen zijn met deze duurbetaalde melkkoe van muzikanten die beweren het niet voor de poen te doen. Charlie, Mick, Keith en Ronnie verdienen een prachtig pensioen en alle eer die hun als onnavolgbare rockhelden toekomt. Maar genoeg is genoeg.