Opinie

Wat als vluchtelingen er voortaan weer bij horen?

wijst de weg naar Zatopia. Een utopische gemeenschap waar vluchtelingen het lot in eigen hand kunnen nemen en zelfbestuur hebben.

Foto Jamal Nasrallah

Melilla is een badplaats aan de Middellandse Zee zoals er vele zijn: rechthoekige appartementenblokken, het balkon naar de zon en de zee gekeerd. Ik ben er in het najaar van 2006, op uitnodiging van een televisieprogramma dat voor de aankomende landelijke verkiezingen alle lijsttrekkers confronteert met een groot internationaal probleem.

Melilla is niet alleen een mediterrane badplaats maar ook het zuidelijkste deel van Europa. Het is een kleine exclave op het Marokkaanse vasteland die al vijfhonderd jaar in het bezit is van de Spanjaarden. Voor Afrikanen is dit piepkleine stukje van Spanje ook de dichtstbijzijnde toegangspoort naar veiligheid en welvaart.

In het jaar daarvoor, in 2005, is Melilla wereldnieuws geworden. Duizenden migranten hebben de hoge hekken bestormd die Melilla afscheiden van het Marokkaanse ommeland. Daarbij zijn mensen omgekomen en degenen die er wel in slaagden over het hek te kruipen werden door de uitgerukte politiemacht geslagen en, voordat ze asiel konden aanvragen, teruggestuurd. Daarna zijn er aanhoudend berichten over doden en gewonden: mensen die verstrikt raken in het prikkeldraad, van het zes meter hoge hek vallen of simpelweg worden doodgeschoten. Amnesty International rapporteert over beschietingen en moord door Spaanse en Marokkaanse autoriteiten. Artsen zonder Grenzen meldt dat van de tienduizenden mensen die zich verscholen houden in de bossen om Melilla heen, velen verse littekens dragen van buitensporig geweld en seksueel misbruik.

Met de televisie-ploeg trek ik de bossen in. Als wij een tijdje doelloos stilstaan, beginnen de bosjes om ons heen te bewegen. Langzaam komt een aantal zwarte jongens op ons af, gefixeerd op onze tas met etenswaren. Sommigen wonen pas drie of vier maanden in de bossen, anderen al een paar jaar. Ze zijn afkomstig uit Guinee-Bissau, een arm en weinig democratisch land in West-Afrika, en wachten op die ene kans om over het hek te klimmen. Met geld van hun familie zijn ze te voet de Sahara overgestoken. Ze willen geld verdienen; dat hebben ze bij hun vertrek beloofd en ze gaan liever dood in de Marokkaanse bossen dan thuis te moeten vertellen dat hun missie is mislukt. Maar het verblijf aan de verkeerde kant van het hek heeft het optimisme waarmee ze ooit vertrokken verwoest, hun verhalen bulken van de wanhoop. Er is geen weg vooruit en geen weg terug. Tegen beter weten in wachten ze totdat iemand ze verlost.

Terug in Melilla vraagt de interviewer mij of ik vind dat het hek moet verdwijnen. Ik twijfel. Het hek en de praktijk van de grensbewaking zijn barbaars. Met welk recht ook ontzeggen wij anderen onze welvaart, onze veiligheid en ons geluk? Dan zeg ik nee. Hoe erg ook, het hek moet er blijven staan. Anders ontstaat er een run van Afrikaanse jonge mensen op zoek naar toekomstperspectief. Dat kunnen wij hun in die getale in Europa niet bieden zonder dat we onze welvaart, onze burgerlijke vrijheden en onze vreedzame verhoudingen op de tocht zetten. Maar mijn antwoord ergert me. Ik vind het een zwaktebod, ook nu nog, na ruim tien jaar.

Inmiddels zorgt het hek rond Melilla niet meer voor nieuws en is mijn worsteling onbeduidend. De afgelopen drie jaar was ons nieuws gevuld met drenkelingen en verdronkenen: Griekse eilanden zakten bijna in de zee onder het gewicht van honderdduizenden migranten, 71 doden werden gevonden in een verlaten vrachtwagen aan de kant van een snelweg in Oostenrijk, huilende Syrische asielzoekers die hun kinderen over de rollen prikkeldraad langs de grenzen in Oost-Europa probeerden te tillen en het jongetje Alan dat in de houding van een slapende peuter voor iedereen zo zichtbaar dood lag te zijn op een Turks strand.

Met de stijging van de aantallen vluchtelingen en migranten sinds 2013 en de opeenhoping van menselijke ellende aan de buitengrenzen van de Europese Unie, worden ook de ethische grenzen in de omgang met asielzoekers brozer. Grensbewaking wordt zonder gêne overgelaten aan niet-Europese landen in ruil voor wat Europese goodwill. In de landen van waaruit migranten naar Europa reizen controleren private organisaties visa en paspoorten. De Europese buitengrenzen vertonen gelijkenis met militaire zones waar met satellieten, infraroodcamera’s en zelfs drones wordt voorkomen dat mensen illegaal de Unie binnendringen. Aan de Europese beveiligingsindustrie worden miljarden besteed en er werken miljoenen mensen.

Een voorlopig dieptepunt is wel de ‘Turkijedeal’ die sinds maart 2016 van kracht is. Daarmee is niet alleen de grensbewaking maar ook het oordeel over asielzoekers overgeheveld naar een land dat systematisch zijn eigen minderheden onderdrukt, zijn burgers nauwelijks politieke vrijheden gunt, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet erkent en een dubieuze rol speelt in de grote conflicten in het Midden-Oosten.

Wereldwijd is er een historisch hoog aantal mensen ontworteld. Soms worden zij politiek vervolgd, veel vaker gaat het om mensen die op de vlucht zijn voor oorlogsgeweld, etnische en religieuze zuiveringen en genocide of natuurrampen. Volgens de UNHCR waren er in 2016 ruim 65 miljoen mensen tegen hun wil ontheemd en meer dan de helft van hen is jonger dan achttien.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog schreef de filosoof Karl Popper het prachtige boek De open samenleving en haar vijanden. Daarin analyseerde hij dat in een open samenleving individuele vrijheid en wederkerigheid onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Als wij ten volle willen profiteren van democratie en sociale vooruitgang, dan moeten wij bereid zijn de prijs te betalen in de gezamenlijke acceptatie van verantwoordelijkheid: „our fellow men have a claim to our help”. Dat betekent niet dat we de grenzen kunnen openstellen, omdat dat de open samenleving ondermijnt, maar wel dat we ons inspannen om andermans leed weg te nemen of op zijn minst te verzachten.

Nieuw Licht is een pamfletreeks waarin een hedendaagse denker aan de hand van een oude tekst zijn licht laat schijnen op een hedendaagse kwestie. Femke Halsema schreef het zevende deel in de reeks.

Tussen 2011 en 2016 bezocht ik als voorzitter van Stichting Vluchteling de meeste grote vluchtelingenkampen in oorlogsgebieden: rond en in Syrië, in de Hoorn van Afrika en in West-Afrika. Ik zag ook de settlements van mensen die buiten het bereik of het mandaat van de UNHCR vallen in bijvoorbeeld Libanon, Oost-Congo en de sloppenwijken van Nairobi. Vooral in de grote kampen is het beeld telkens hetzelfde. Kilometers lang, langs rechte stoffige paden staan er tenten. De monotonie ervan wordt om de zoveel meter onderbroken door latrines en kruispunten waar kinderen samenklitten. Op open plekken staan containers waarin de kantoortjes van internationale hulporganisaties huizen. Dat zijn ook de plekken waar medische hulp en soms onderwijs wordt gegeven.

De kampen zijn altijd ingericht op tijdelijkheid, op het lenigen van de eerste nood, en op de meeste plekken bieden de inzakkende tenten, soms gestut door een zelfgebouwd muurtje, nauwelijks beschutting tegen de zon. De internationale gemeenschap houdt de verwachting in stand dat elke vluchteling na een korte periode terug kan naar huis, hoewel men weet dat een leven in diaspora gemiddeld zo’n zeventien jaar duurt.

Elk bezoek aan een kamp vond ik een confrontatie met honger, de stank van armoede en de afwezigheid van privacy, waardoor de vernedering van ziekte en ongeluk altijd zichtbaar is. Nog pijnlijker is het besef te maken te hebben met mensen die nergens meer toe behoren of deel van mogen uitmaken. Misschien is het directe gevaar om te worden vermoord of verkracht geweken, maar er treedt niets voor in de plaats: vluchtelingen verkeren in limbo – in Nergensland.

In Nergensland bestaat er geen gemeenschap, geen democratie of rechtsstaat, geen burgerschap en daardoor geen menselijke waardigheid. Er zijn geen rechten, er is alleen beperkte goedertierenheid. Je mag hopen maar niet verwachten ooit nog een plek te vinden om je te vestigen, ooit in je kinderen te kunnen investeren of je te kunnen omringen met de mensen van wie je houdt.

Bij de proporties die het vluchtelingenprobleem heeft aangenomen is de verleiding van utopisme groot. Filosoof Hans Achterhuis heeft uitgebreid beschreven hoe utopieën opkomen als een vlucht uit de chaos van het laatmiddeleeuwse bestaan, waarbij het ‘rampzalige heden’ wordt afgezet tegen een imaginaire ‘stralende toekomst’. Utopisme bloeit op het verlangen om een rigoureus onderscheid te maken tussen goed en kwaad, waarbij zuiverheid regeert en de ander, de buitenstaander wordt uitgesloten. Het grote gevaar van utopisme is, aldus Achterhuis, de wens om de samenleving in een blauwdruk te vatten waaruit alle verstorende elementen zijn verwijderd. Reëel bestaande utopieën monden, aldus Achterhuis, altijd uit in dystopieën, in totalitaire, onvrije samenlevingen.

Achterhuis’ aanvankelijke stellingname is dat utopisme altijd haaks staat op Poppers ideaal van de open samenleving. Als het betekent dat de individuele mens ondergeschikt raakt aan de gemeenschap, dat het utopische experiment totaal en rigide is en een maakbare samenleving veronderstelt, heeft hij daarin gelijk. Popper waarschuwde indringend voor de totalitaire verleiding die in utopisme schuil gaat: jaag geen abstract ideaal na van het scheppen van een goede mens of een zuivere samenleving, maar „work for the elimination of concrete evils and not for the realization of abstract goods”.

Utopisme hoeft echter niet uit te monden in een ‘blauwdruk’ van een ideale samenleving. Het kan ook een zinnebeeld zijn, een ideaal van een betere samenleving dat helpt kritischer de tekortkomingen van de huidige te bestuderen en te voorkomen dat technocratie de overhand krijgt. Popper verzet zich ook niet tegen politieke verbeelding of een ver reikend toekomstideaal, maar noemt als voorwaarde dat dit „is bridled by reason, by a feeling of responsibility, and by a humanitarian urge to help”.

In middeleeuws Engeland was een belangrijk deel van de landbouwgrond in gemeenschappelijk gebruik van de boeren: de zoheten commons. Samen beheerden de boeren weiden waar het vee kon grazen, bossen waar ze hout konden sprokkelen en boomgaarden waar ze vruchten konden plukken. Het gedeelde ‘vruchtgebruik’ dat in 1215 als recht was vastgelegd in de Magna Carta, verdween na de Middeleeuwen, toen het agrarisch kapitalisme zich in Engeland vestigde. Lokale adel plaatste hekken en heggen, en privatiseerde grote delen van de grond. Deze omheining van het gemeengoed, zoals de Belgische filosoof Lieven de Cauter dat omschrijft, was een belangrijk symbolisch moment in de ontwikkeling van territoriale soevereiniteit, natiestaten en grenzen. Met de hoogtechnologische en in toenemende mate gewelddadige grensbewaking bereikt de omheining van het gemeengoed nu een nieuw hoogtepunt.

Het historische proces van begrenzing van gebieden kan niet ongedaan worden gemaakt. Dat is ook niet wenselijk. De identificatie van inwoners met het gebied binnen de grens is zo sterk geworden dat de opheffing of de verschuiving ervan leidt tot revolutie en geweld. Het openstellen van de grenzen voor vluchtelingen en migranten – wat de uiteindelijke opheffing ervan betekent – heeft hetzelfde effect.

Alleen is het vaststellen van de historische onomkeerbaarheid van landsgrenzen niet hetzelfde als de acceptatie dat er telkens minder gemeengoed is, noch de machteloze aanvaarding dat 65,5 miljoen vluchtelingen en ontheemden – op wat bevoorrechte enkelingen na – nergens bij horen en met geweld mogen worden buitengesloten. Evenmin hoeft te worden geaccepteerd dat zij geen vanzelfsprekende toegang meer hebben tot publieke goederen, zoals schoon drinkwater, goede gezondheidszorg, veiligheid of politieke rechten. Of dat voor hen alleen een leven in limbo, tussen de grenzen in Nergensland in het verschiet ligt

Een utopisch vergezicht. In het droge gebied op de grens tussen Syrië en Jordanië verrijst een stad. Zatopia noemen de bewoners deze, verwijzend naar Utopia en het oude vluchtelingenkamp Zaatari dat op sommige plekken nog kan worden herkend. Op het oog verschilt Zatopia niet heel erg van andere steden in het Midden-Oosten: er is straathandel, de straten zijn lawaaiig en stoffig, de bebouwing is chaotisch. Alleen wie beter kijkt ziet verschillen. Weliswaar zijn de huizen klein en sober, dat geldt niet voor de publieke voorzieningen. Er is een ingenieus stelsel van waterleidingen en rioleringen en elk huis is aangesloten op het netwerk van zonne-energie. Grenzend aan het belangrijkste plein van de stad is er een nieuw ziekenhuis waar mensen uit het hele land zich laten behandelen door lokale (vluchteling)artsen. De opbrengsten worden gebruikt om nieuwe artsen en verplegers op te leiden. Ernaast is het hoofdkantoor van politie dat deels een opleidingscentrum is. Er lopen nog een paar Europese politietrainers rond maar hun werk is goeddeels overgenomen door de eerste afgestudeerde lichting vluchtelingenagenten. Tegenover het politiebureau bevindt zich de bibliotheek met studieruimten. Door afspraken met een groot aantal universiteiten kunnen daar alle internationale wetenschappelijke publicaties vrijelijk worden gelezen. Vanuit Harvard, Oxford, Parijs en Amsterdam worden colleges gestreamd en in de collegezalen vertoond. Diezelfde universiteiten hebben het mogelijk gemaakt om hun diploma’s op afstand, uitsluitend via internetstudie te behalen. Aan de rand van de nieuwe stad ligt een bedrijventerrein waar zojuist een Amerikaanse technologiereus een nieuwe campus heeft geopend. Daaromheen zijn er moestuinen, een olijvenboomgaard.

Internationale bezoekers verbazen zich over de verandering die het oude kamp Zaatari in vijf jaar heeft doorgemaakt. In plaats van vegeterende, wanhopige bewoners treffen zij een energieke gemeenschap. De meest wezenlijke verandering, zo laten zij zich door de gekozen burgemeester vertellen, vond plaats toen een consortium van landen, bedrijven en internationale organisaties een akkoord trof met Jordanië om grond te pachten voor de duur van – in ieder geval – honderd jaar. Het gebied beslaat nu tweehonderd vierkante kilometer waarvan een kwart in gebruik is.

De prijs die Jordanië ervoor vroeg is symbolisch nadat berekeningen aantoonden dat de economische ontwikkeling ook tot nieuwe werkgelegenheid en welvaart bij de oorspronkelijke bevolking zou leiden. Tegelijkertijd streken er internationale wetenschappers en beleidsmakers neer, die samen met een grote groep bewoners nadachten over de vormgeving van de stad. De beslissing over de ruimtelijke indeling was het gemakkelijkst: die ligt bij de bewoners zelf onder de voorwaarde dat iedereen accepteert dat de grond altijd in gemeenschappelijk beheer blijft. Een tweede voorwaarde is dat de bebouwing voor privégebruik niet de publieke ruimten voor pleinen, parken, scholen, ziekenhuizen overtreft.

Veel ingewikkelder is de institutionele vormgeving. Wie leidt de stad? Welke regels worden er gevolgd? Er is uiteindelijk voor gekozen om de stad geleidelijk zelfstandig te laten worden. Het geweldsmonopolie ligt zeker de eerste jaren nog in handen van de Verenigde Naties, om het daarna geleidelijk over te dragen aan het eigen bestuur van de stad. Na vijf jaar is de belangrijkste rol van de VN ervoor te zorgen dat de jongste generatie ordehandhavers op de hoogte is van het internationale recht en daarnaar handelt.

Aangezien de stad een veilige haven moet zijn voor vluchtelingen kan de internationale verantwoordelijkheid nooit helemaal komen te vervallen. De UNHCR selecteert wie zich mag vestigen en van de publieke voorzieningen mag profiteren. Mensen moeten zich ook te allen tijde bij het kantoortje van de UNHCR kunnen vervoegen als zij willen doorreizen naar Europa of de Verenigde Staten. In de loop van de jaren wordt de animo daarvoor echter kleiner.

Iedereen die officieel is toegelaten tot de stad krijgt een klein basisloon, een eenvoudige wooncontainer en een lap grond toegewezen. Er worden vouchers verstrekt die toegang geven tot onderwijs en gezondheidszorg. Na een jaar vervalt het basisloon, behalve bij ziekte en ouderdom. Elke bewoner verdient daarna een gewoon inkomen en betaalt belasting.

Weinig inwoners hebben de termijn van een jaar nodig om zelfstandig te worden. De meesten hebben binnen een paar weken werk gevonden en proberen hun financiële afhankelijkheid van de gemeenschap zo klein mogelijk te houden. Als zij hun basisloon eerder opzeggen, dan mogen zij het restant ervan met een maximum van drie maanden investeren in een school of bijvoorbeeld in de oprichting van een bioscoop. Na het eerste jaar wordt ook huur berekend voor de wooncontainer. Bewoners worden gestimuleerd om hun eigen huizen te bouwen zodat de containers vrijkomen voor nieuwkomers. Als er in het eerste jaar geen wangedrag en verontrustende berichten zijn van de UNHCR over oorlogsmisdaden, krijgen de inwoners in een feestelijke ceremonie hun internationale vluchtelingenpaspoort uitgereikt.

In de internationale gemeenschap strijdt enthousiasme over het experiment van Zatopia om voorrang met cynisme over de bereidheid van andere natiestaten om een klein deel van hun soevereiniteit prijs te geven. Er is ook scepsis over de mogelijkheid om werkelijk open, mensenrechtelijke samenlevingen te vestigen in chaotische conflictgebieden.

Vooralsnog trekken de voorstanders aan het langste eind. Hoewel er berichten zijn van onderling geweld en misbruik, leidt de teruggave van individualiteit en toekomstperspectief juist tot vreedzamere verhoudingen. Het voorbeeld van Zatopia en de notie van ‘commons’ leidt ook tot kleinere veranderingen in traditionele kampen en stedelijke settlements: daar worden studieruimten ingericht, de mogelijkheden om te werken worden verruimd en er worden scholen gevestigd.

Zatopia heeft Europese politici en burgers vooral verlost van hun verlammende machteloosheid. De grensbewaking blijft, maar de lokroep van harde en intimiderende repressie wordt minder verleidelijk. Er wordt geld ingezameld en de beelden die worden uitgezonden van vluchtelingen die hun lot in eigen hand nemen, zijn anti-gif tegen cynisme. Er is, wordt er wel gezegd, met de stad Zatopia een ‘opening in de werkelijkheid geslagen’. En dat was hard nodig.