Opinie

De Brexit is ongeschikt voor de 21ste eeuw

Het Brexit-kamp toont een verbazend gebrek aan realisme over de moderne wereldeconomie, constateert

Foto Will Oliver / EPA

Een van de mooiere uitdrukkingen in het Engels is de ‘damp squib’. Je gebruikt het voor een grote anticlimax, zoals de vooraf grondig gehypte ‘toespraak van Florence’ van de Britse premier Theresa May, vorige week. Damp squib: nat vuurwerk.

Voor een zaal Britse journalisten (de Europese bleven merendeels weg) kwam May niet met het ‘game changing’ aanbod waarmee de BBC iedereen lekker had gemaakt. Hoe kon May ook, wanneer ze in haar eigen partij zo zwak staat dat hoogst twijfelachtig blijft of ze welk aanbod dan ook gestand zal kunnen doen?

Ondanks het uitblijven van vuurwerk werd de speech niettemin voorzichtig geprezen in Europa. Er stonden althans geen onjuistheden in, de toon was niet vijandig en evenmin bevatte May’s verhaal leugens. Zover zijn we gekomen, vijftien maanden nadat in juni 2016 een kleine meerderheid van de opgekomen Britse kiezers voor het verlaten van de Europese Unie stemde. Een Britse leider krijgt de handen al op elkaar wanneer ze een keer geen aperte onzin uitslaat.

Europa prees de speech ook omdat May eindelijk lijkt te durven benoemen dat haar land uitstaande verplichtingen moet voldoen (wat de Britse pers de ‘Brexit bill’ of ‘exit fee’ noemt). Ook werd eindelijk hardop gezegd dat er een overgangsregeling moet komen. Het is namelijk volstrekt ondenkbaar dat al in maart 2019 een nieuwe alomvattende overeenkomst tussen de EU en de Britten voltooid en geratificeerd is.

Zo is de kans dat de Britten zonder akkoord uit de Unie stappen, een ‘no deal crash’, weer iets verkleind. Dat is goed nieuws voor beide partijen. Maar wie even verder kijkt, ziet dat een mix van onwetendheid en naïviteit de Britse houding nog altijd bepaalt. Tegenstanders vallen de EU graag aan als een onrealistisch project van drammers en dromers. Maar verdiep je in de wereld van de 21ste eeuw en je ziet dat de naïviteit bij het andere kamp minstens zo groot is.

Michel Barnier, die namens de EU over Brexit onderhandelt, noemde de Britse regering onlangs „nostalgisch”. Dat was een charmante manier om erop te wijzen hoezeer het Brexit-kamp en de Britse regering voortbouwen op noties van soevereiniteit en wereldhandel uit de negentiende en twintigste eeuw.

Als om Barniers gelijk te onderstrepen legde president Trump deze week de Canadees-Britse vliegtuigbouwer Bombardier opeens een ‘straftarief’ van 219 procent op. Bombardier zou illegaal worden gesubsidieerd en dus oordeelde Trump: „Oneerlijke concurrentie”.

De Amerikaanse president heeft gelijk, maar laat weg dat de Amerikaanse vliegtuigbouwer Boeing net zo hard wordt gesubsidieerd door de eigen regering, via opdrachten van Defensie. Zoals ook de Europeanen allerlei handigheidjes hebben bedacht om Airbus te subsidiëren.

Het punt hier is echter dat Canada en Groot-Brittannië zelfs samen te klein zijn om nu zo hard terug te slaan dat Trump zijn maatregel intrekt. De EU daarentegen is groot genoeg om zo’n aanval te pareren. Dus flikt Trump dit niet bij Airbus.

Maandenlang hebben May en haar Brexiteers geschermd met het ‘geweldige’ handelsakkoord dat ze zeer spoedig zouden gaan sluiten met de Verenigde Staten. Nu dreigt May diezelfde Verenigde Staten openlijk met een ‘handelsoorlog’.

Zo werkt het in de 21ste eeuw. Vonnissen van de door Brexiteers zo fanatiek geprezen Wereldhandelsorganisatie (WTO) laten jaren op zich wachten en kunnen gewoon worden genegeerd. Uiteindelijk is de wereldhandel geen ‘rule of law’-paradijs, maar een keiharde arena waar ‘might makes right’ – niet de sterkte van het recht heerst, maar het recht van de sterkste. De komende jaren zal het Verenigd Koninkrijk ontdekken hoe het zonder de bescherming van de EU in deze jungle een lekker hapje voor roofdieren wordt.

De vliegtuigindustrie biedt nog een fascinerende inkijk in hoe de wereld sinds de negentiende eeuw is veranderd. Een Airbus 320, een van de meestverkochte passagiersvliegtuigen voor de middellange afstand ter wereld, bevat onderdelen uit Toulouse, Saint-Nazaire en Nantes in Frankrijk, uit Hamburg, Bremen en Stade in Duitsland, uit het Spaanse Getafe en het Britse Broughton. Zo’n vliegtuig is met andere woorden een bouwpakket waarvan de onderdelen uit een productieketen komen die is uitgespreid over heel de EU. Bij ‘vrijhandel’ denkt het Brexit-kamp echter nog steeds aan landen die ieder afzonderlijk producten en diensten vervaardigen en deze met elkaar verhandelen. Zo ging het in de negentiende eeuw en dus ging handelspolitiek toen over het slopen van handelstarieven. Dan konden immers de zogeheten ‘comparatieve voordelen’ van vrijhandel in werking treden.

Maar de wereldhandel anno nu gaat niet alleen, of zelfs niet meer primair over zulke tarieven. Het gaat vooral over ‘non-tariff’-barrières, zoals gelijke regels en standaarden binnen de hele EU; over rechtszekerheid bij conflicten tussen bedrijven uit verschillende landen dankzij een hof dat bij geschillen onpartijdig oordeelt. En over het vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en mensen zodat productieketens zich nu over de hele EU kunnen uitspreiden.

Kort gezegd: de EU is allang geen ‘single market’ of interne markt meer; maar veeleer één ‘single economy’. Daarmee is het simpelweg logisch onverenigbaar dat het Verenigd Koninkrijk tegelijkertijd én onderdeel blijft van deze ‘single economy’ én niet langer de regels in acht neemt die de ‘single economy’ bij elkaar houden.

Dat maakt Brexit in deze vorm zo gevaarlijk: het idee van een uitstap is niet gebaseerd op een koele en grondige studie van de wereld zoals deze begin 21ste eeuw werkt. Geen wonder dat het weekblad The Spectator – Boris Johnson, minister van Buitenlandse Zaken en voorstander van een ‘harde Brexit’, was er ooit hoofdredacteur – meldde dat hoge Britse ambtenaren dezer dagen allerlei e-mails sturen naar hogerop waarin ze precies uiteenzetten hoe desastreus de huidige koers is. Niet omdat ze nog geloven dat de e-mails door hun bewindslieden worden begrepen of überhaupt gelezen. Ze zijn zich aan het indekken voor later.

Ze houden er namelijk serieus rekening mee dat ze zich ooit zullen moeten verantwoorden voor een parlementaire enquêtecommissie over het fiasco dat Brexit tegen die tijd is gebleken. Het model is dan het Chilcot-onderzoek naar de invasie en bezetting van Irak; nog zo’n Britse onderneming die werd verkocht met leugens en manipulatie, en daarna werd uitgevoerd zonder serieuze planning vooraf.

Dat is althans een schrale troost: ditmaal zullen het de Britten zelf zijn die de grootste prijs gaan betalen voor hun arrogante incompetentie, en niet gewone Irakezen.