Journalistiek neemt zichzelf de maat – anderen ook?

Het is maar een chocoladereep, maar toch was het weer opmerkelijk nepnieuws. Tony’s Chocolonely stuurde afgelopen dinsdag een persbericht de wereld in dat het bedrijf „naar de Amsterdamse Beurs” wilde. Het nieuwtje haalde ook NRC, kort.

Probleem: het was niet waar. Nou ja, de repen zijn voortaan ook te krijgen in de Amsterdamse Beurs van Berlage. Geintje! Een pr-stunt van het bedrijf.

Leuk? Nee. Het bedrijf zag er blijkbaar geen been in verwarring te zaaien.

Nu kun je zeggen: dan moeten journalisten er ook maar niet in trappen. Hoe waarschijnlijk is een echte beursgang voor dat bedrijf? Tot uw dienst. Maar het voorval maakt ook duidelijk dat de drempel om media voor de gek te houden ook bij respectabele partijen schrikbarend laag is geworden. In 2014 haalde de burgemeester van Tilburg al het nieuws met een plan voor een „homowijk” – hij hield zijn gezicht een dag in de plooi, voordat de hoax uitkwam.

Moeten media dat lijdzaam ondergaan? Dat lijkt me niet. NRC nam zichzelf vorige week publiekelijk en scherp de maat over journalistieke fouten van de correspondent in China. Mag er ook wat zelfkritiek zijn bij een pr-belust bedrijf, of een burgemeester?

Ander recent voorbeeld: over een spraakmakend interview met de premier van Sint-Maarten werd glashard ontkend dat het had plaatsgehad. Je kunt het altijd proberen, nietwaar? De krant zette een audio-fragment online om het tegendeel te bewijzen.

Wat hierbij niet helpt, vrees ik, zijn recente beschouwingen van collega’s of oudgedienden over Oscar Garschagen, die uit begrijpelijke solidariteit met hem of bewondering voor zijn lange staat van dienst, de ophef over zijn werk bagatelliseren of afdoen als een overreactie van de krant op kleinigheden.

Op de mediasite Villamedia verdedigde oud-correspondent Marc de Koninck bijvoorbeeld, contra NRC, de stelling dat journalisten de werkelijkheid altijd manipuleren en „naar de waarheid zetten”. Hij deed dat in een stuk dat oog heeft voor de praktijk, maar dat ook van alles door elkaar haalt.

De Koninck wijst erop dat bronnen altijd een selectie zijn, dat uitspraken voor de camera worden herhaald en geoefend – een staande praktijk. Hij geeft ook dit voorbeeld: een verslaggever die na de ramp op Sint-Maarten eerst alleen mensen tegenkomt die zeggen dat het wel meevalt, zoekt door tot hij iemand heeft gevonden die huilt van ellende. Want dat is het ‘ware’ verhaal.

Dat is een mand vol appels en peren. Natuurlijk redigeren journalisten vaak spreektaal, al is het maar om er lopende zinnen van te maken. Mensen halen ook een kam door hun haar als ze op de foto gaan. Dat betekent niet dat het ongekamde haar ‘de werkelijkheid’ is, en al helemaal niet dat de fotograaf een pruik in de foto mag shoppen omdat dat dichterbij ‘de waarheid’ komt. Dat laatste vindt De Koninck dan ook niet, maar zijn voorbeeld van Sint-Maarten voedt helaas wel wat veel mensen toch al geloven: journalisten zien alleen wat ze willen zien. Want waarom zouden die ontkenners op het eiland niet ook deel uitmaken van de werkelijkheid, of van een verhaal (waarom zeggen ze dit, is het zo, hebben ze er belang bij)?

Inderdaad, een journalistiek verhaal is altijd een uitsnede uit de chaotische werkelijkheid, en over die selectie is altijd discussie mogelijk. Maar reflectie daarop is heel iets anders dan het basale onderscheid laten vervagen tussen gebeurd of niet, ergens geweest zijn en iemand gesproken hebben of niet.

Suggereren dat zoiets minder ernstig is als het verhaal in de kern maar ‘waar’ is, doet onrecht aan alle oudere en jonge journalisten die, met vallen en opstaan, hun werk zo goed en precies mogelijk proberen te doen. Grote dossiers, onthullingen en relevant onderzoek komen ook nog altijd grotendeels van die gesmade ‘oude media’, in de VS maar ook hier. Mag dat ook eens gezegd worden, in weerwil van het cliché dat journalisten maar wat aanrommelen?

Er speelt wel meer. De professionele en maatschappelijke context voor journalisten is drastisch veranderd. Journalisten werken door de informatierevolutie van internet meer dan ooit in een glazen huis; iedere lezer of kijker is nu ook mediacriticus, al dan niet met ideologische motieven. Daar komen de bureaucratische en logistieke revoluties in de journalistiek bij: het werken op meer platforms (papier, sites, sociale media), de druk van kijk- en leescijfers, de toegenomen concurrentie en, niet in de laatste plaats, de cultuurverandering op redacties, waar planning en productie de afgelopen decennia gestaag zijn verschoven van, soms al te anarcho-liberaal, bottom-up naar geprofessionaliseerd en centralistischer top-down.

In die context is het des te belangrijker dat het ambachtelijke gesprek bij nieuwsorganisaties voorop blijft staan. Dat gesprek wordt bij NRC gevoerd tussen chefs, bureauredactie en verslaggevers. Oftewel, anekdotisch gezegd, deze week werkte ik een halve dag aan het bureau bij de redactie Sport, niet mijn natuurlijke habitat. Nog nooit heb ik met zoveel enthousiasme en kennis van zaken horen praten over strafschoppen, coaches en clubs – kortom, over de inhoud dus. De recente kwesties zijn een herinnering aan de permanente noodzaak van juist dat type gesprek.

Dat fouten of zelfs bedrog – van binnen of buiten – dan totaal kunnen worden uitgebannen, lijkt me een illusie. Journalistiek is en blijft mensenwerk en je hoeft niet de Heidelberger Catechismus te kunnen opzeggen om te weten dat het dus nooit perfect zal zijn.

Maar het is wel relevant mensenwerk, dat met hart en ziel wordt gedaan, waar van alles aan kan schorten (u ziet het hier geregeld langskomen), maar dat het niet verdient te worden weggezet als één groot broddelwerk of te dienen als podium voor wie met hele of halve leugens een pr-stunt wil uithalen.

Reacties: ombudsman@nrc.nl