Recensie

Het is net 2017 in de Fiat Tipo

Het enige echte voordeel van de goedkope Fiat Tipo is zijn zuinigheid, vindt . Maar het is een diesel.

Er is een nieuwe Fiat die geen nieuwe Fiat is. De Tipo moest betaalbaar blijven en dat kon alleen met spullen uit de oude doos. Fiat schrapte de hightech uit het basispakket, bezuinigde op materialen, plunderde het onderdelenmagazijn voor stengels, knoppen en motoren. En daar staat hij dan; een forse middenklasser met een basisprijs van net onder de twintig mille. Een best appetijtelijke kliekjes-Fiat die tien jaar geleden bij de tijd zou zijn geweest. Zou hij aanslaan?

Een van mijn grote trendwatch-zeperds is de budgetauto. Het Roemeense Dacia begon begin deze eeuw met belegen Renault-onderdelen spotgoedkope, spartaanse Renault-klonen te bouwen. Dat was in de roos. Skoda probeerde het met de Rapid, een versimpelde middenklasser die duizenden euro’s minder kostte dan de weinig grotere Skoda Octavia.

Tegen mijn verwachting bleef de brede doorbraak van de voordeelauto uit. De Rapid loopt niet hard. Dit jaar zijn er 830 verkocht, tegen ruim 4.000 Octavia’s; van de Dacia Lodgy, een grote MPV voor bijna niks, trouwens maar 214. Wel succesvol is de eeneiige mini-drieling Citroën C1, Toyota Aygo en Peugeot 107/108, maar dat zijn kleintjes en die mogen sowieso niks kosten.

Spiegels en kralen

Ik zat fout op drie punten. Het gaat weer goed met ons, dat is een. De consument steekt dat niet onder stoelen of banken, dat is twee. Hij wil spiegels en kralen, digitale dashboards en actieve veiligheidssystemen. Ten slotte is de vraag waarom een autofabrikant op een aantrekkende markt onder zijn kunnen zou presteren. Een hogere omzet zou niet opwegen tegen de imago-deuken.

Verder moet het prijsverschil met ‘gewone’ auto’s wel heel groot zijn om het volk over de streep te trekken. Een station met de ruimte die één showroom verderop twee keer zoveel kost, kan wat worden; een voordeel van drie mille valt weg tegen de afschrijving. Binnen zijn budget zal de koper eerder kiezen voor een rijk uitgeruste kleine auto van een A-merk dan voor een uitgeklede grote van de prijsvechter.

Toch probeert Fiat het opnieuw en ik moet nog zien wat het wordt; in de media-ontvangst van de Tipo hoor je de stem des volks meewarig doorklinken. Men stelt vast dat hij in Italië stukken goedkoper is en voor dit geld weinig toevoegt aan het budgetlandschap.

Het ís geen budgetauto, protesteert Fiat, het is een nuchtere, doelmatige Fiat. Als het menens is met die soberheid, begrijp ik dan weer niet waarom ik het topmodel meekrijg, de Business Lusso-diesel die met leer, navigatie en automaat voor 28 mille scherp geprijsd is maar natuurlijk ver boven zijn stand leeft. Voor dat bedrag heb je met iets minder toeters en bellen een Golf die je je buren in Almere niet hoeft uit te leggen.

Ik had het basismodel moeten hebben, de Tipo Station 1.4 Pop met 95 pk benzinemotor en handbediende airconditioning voor, rijklaar, 21.000 euro. Dan mag je je met een laadruim van 1.650 liter de koning te rijk voelen. Dan kom je er echt achter hoe het voelt, een leven zonder lifestyle.

Ik denk dat het meevalt. Alle auto’s vallen mee, ook de test-diesel die met 120 pk en 320 newtonmeter trekkracht kapitalistisch stevig uitpakt – een iets kleinere oliestoker met 95 pk is er ook. Het deurpaneel rechts rammelt en de middenconsole maakt een hoekje dat de bestuurder storend in de rechter knieschijf prikt, verder is het net 2017 in de Tipo. Het multimediasysteem heeft zelfs een touchscreen. Minpunten? De automaat, met de zes versnellingen die er tegenwoordig acht horen te zijn, doet er wat lang over om in te zien dat hij een tandje hoger kan. De aandrijf-lijn maakt bovendien iets meer lawaai dan in andere Fiats, vermoedelijk is op isolatie enigszins beknibbeld. Op snelheid ronkt hij marktconform beschaafd.

Waarom een diesel?

Waarom een diesel, trouwens? De markt is er klaar mee.

De pest is dat ze zo verdomde zuinig zijn. De Tipo rijdt gemakkelijk 1 op 23. De boordcomputer stelt zijn spaarzaamheid iets te rooskleurig voor, maar met een eindgemiddelde van 1 op 20 kan een stationcar van deze grootte eer inleggen. Het echte voordeel zit hier, als het milieu mag barsten.

Dit is een fijne auto waar ik prima mee zou kunnen leven. De leaseman kiest waarschijnlijk toch voor een Octavia. Daar staat hij bij de McDonald’s minder mee voor schut tussen de andere Skoda’s. De kudde wil vastigheid. Veeg teken dat ik her en der al dealers zag stunten met de Tipo. Statusresistenten; sla uw slag.