Opinie

Beoordeel humaniora op hun eigen merites

Geesteswetenschappen vervullen een andere rol in de samenleving dan natuurwetenschappen. pleit ervoor ze dan ook niet volgens de harde rankingmodellen van de bèta’s te beoordelen.

Wanneer het gaat om het beoordelen en meten van wetenschappelijke onderzoek, geven de exacte wetenschappen al jarenlang de toon aan. Dat heeft verstrekkende gevolgen, met name voor vakgebieden die een heel andere onderzoekscultuur kennen en een andere rol in de samenleving vervullen, zoals de geesteswetenschappen. Om aan die overheersing een einde te maken en om hun vakgebieden recht te doen, lanceerden de landelijke organisatie van geesteswetenschappelijke faculteiten en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) deze week een eigen stelsel om kwaliteit en relevantie van hun onderzoek te beoordelen.

In de natuur- en levenswetenschappen vormen artikelen in prestigieuze Engelstalige tijdschriften en proceedings op belangrijke conferenties en vervolgens het aantal keren dat andere onderzoekers deze bijdragen citeren, de belangrijkste maatstaf voor kwaliteit. Op basis van dit soort tellingen worden niet alleen individuele onderzoekers, maar ook instituten en zelfs hele universiteiten gerangschikt en beloond.

Deze manier van kwaliteitsmeting hangt nauw samen met het karakter van de natuur- en levenswetenschappen: zij hebben een universeel en lineair karakter, waarbij onderzoekers wereldwijd op elkaars werk (moeten) voortbouwen. Niettemin is er de laatste jaren veel kritiek op deze manier van beoordelen. Zo zou zij geen afspiegeling zijn van de werkelijke betekenis van het onderzoek, ook op langere termijn, en zou zij voorbij gaan aan de impact ervan op economie, technologie en maatschappij. Bovendien zou deze manier van meten strategisch gedrag uitlokken – op allerlei manieren zouden onderzoekers hun scores proberen op te krikken.

Wat geldt voor de ‘harde’ wetenschappen, geldt a fortiori voor de geesteswetenschappen. Sterker, het gebruik van tijdschriftenrankings en citatiescores als bepalende maatstaven voor kwaliteit doet geen recht aan deze wetenschappen. Zo gaat deze science-based kwaliteitsmeting geheel voorbij aan het feit dat de meeste historici, filosofen, classici en archeologen boeken, bundels en catalogi schrijven; dat ze meewerken aan films, tentoonstellingen en publicaties in kranten; dat ze optreden voor een breed publiek van belangstellenden. Er heerst, kortom, een heel andere publicatie- en onderzoekscultuur, die het verdient om zijn eigen merites te worden beoordeeld.

Op grond van de bètacriteria voor kwaliteit zouden niet alleen alle vroegere geleerden allang zijn afgeserveerd, maar ook die van vandaag. De voormalige president van de KNAW, Frits van Oostrom, had zijn prestige niet te danken aan artikelen in Engelstalige tijdschriften of een hoge score op de H-index, maar aan boeken als Maerlants wereld (bekroond met de AKO-literatuurprijs). De huidige president José van Dijck heeft haar positie in belangrijke mate te danken aan boeken als Mediated memories en The culture of connectivity.

Het zijn mooie voorbeelden van hybride publicaties, met een grote impact binnen de wetenschap én in de samenleving.

In tegenstelling tot de natuurkundige of arts-onderzoeker is voor de kunsthistoricus, slavist, islamoloog of Duitsland-specialist het boek, vaak geschreven in een andere taal dan het Engels, nog altijd een uiterst belangrijk medium. Zij zoeken vaak een breder publiek, omdat hun wetenschap deel uitmaakt van de levende cultuur. Zonder band met de samenleving – denk aan onderwijs, media, cultuur en een breed publiek – verworden de ethiek, geschiedschrijving of muziekwetenschap tot dorre, nutteloze exercities.

Delen van de sociale wetenschappen laten zien wat de gevolgen van een eenzijdige oriëntatie op een internationale, volledig Engelstalige onderzoekswereld, drijvend op een gesloten circuit van gespecialiseerde tijdschriften, kunnen zijn. Daar immers, voltrok zich in de jaren ’80-’90 een vergelijkbaar proces. Dat leidde tot merkwaardige taferelen, zoals in Groningen, waar hoogleraar Geschiedenis van de Psychologie Douwe Draaisma zijn (inter)nationaal gelauwerde boeken niet als wetenschappelijke output erkend kreeg.

Onder druk – soms letterlijk, van bovenaf – zich te voegen naar de science-based beoordelingsmodellen zijn delen van de psychologie, sociologie, pedagogie en communicatiewetenschappen min of meer afgesneden van de professionele en maatschappelijke groepen. Terwijl deze groepen zeer gebaat zouden zijn bij de resultaten van hun onderzoek. Niet voor niets constateerde de Nederlandse Sociologische Vereniging in 2014 dat „de sociologie vervreemd is geraakt van de Nederlandse samenleving”.

Om te kunnen ontsnappen aan het one size fits all-model dat sommige instellingen hun geesteswetenschappelijke onderzoekers willen opleggen, zijn alternatieve criteria voor de beoordeling van kwaliteit en relevantie van levensbelang. Precies daarin ligt de betekenis van het ‘meetinstrument’ van de gezamenlijke geesteswetenschappelijke faculteiten en de KNAW: een stelsel dat ruimte creëert voor de rijkdom en variëteit van de humaniora.

Met dit instrument, Quality and Relevance in the Humanities (QriH.nl), wordt niet alleen recht gedaan aan het karakter van de geesteswetenschappen, maar ook aan de culturele en maatschappelijke rol die zij spelen.