Wandelen zonder blaren maar mét zwarte tenen

Alledaagse wetenschap

Blaren kun je voorkomen door slim om te gaan met de schuifkrachten in je wandelschoen. Maar dan dreigt wel het gevaar van de ‘zwarte teen’.

Voet met zogeheten ‘black toe’ ook wel ‘runner’s toe’. Foto Getty Images

Hoewel de brillenbranche wil dat brildragers hun bril reinigen met een doekje van microvezels wordt daar in de praktijk een zakdoek, een slip van het overhemd of een stuk wc-papier voor gebruikt. Je klemt het vieze brillenglas met duim en wijsvinger tussen de lap stof of het stuk papier en beweegt duim en wijsvinger tegen elkaar in. Dan wordt het glas schoon.

Dit kan misgaan als het brillenglas eerst was bewasemd en als de vingers heel droog zijn. Dan schuiven niet katoen of papier over het glas, maar de vingers over het katoen. Probeer het eens. Oplossing: de vingers benatten.

In de keuken is er net zoiets. Je wilt een bord afdrogen met een schone, droge theedoek en merkt dat de hand over de doek glijdt en niet de doek over het bord. Afdrogen gaat het best met een vochtige doek.

Vandaag noemen we dit het drie-lagen-fenomeen. Leg drie lagen van verschillende soorten papier of stof op elkaar en probeer ze ten opzichte van elkaar te verschuiven. Alleen de twee lagen waartussen weinig wrijving bestaat bewegen ten opzichte van elkaar. Hun goede glijgedrag verhindert dat veel kracht op de derde laag wordt uitgeoefend. Het is een soort principe van de minste weerstand. A schuift over B en C samen als de wrijving tussen B en C groter is dan die tussen A en B. Je komt het overal tegen.

Houd dit inzicht vast, lezer, dan keren we terug naar een artikel over goede wandelsokken dat afgelopen zomer in deze krant verscheen. Goede wandelsokken werden gedefinieerd als sokken waarin de wandelaar geen blaren oploopt. Blaren ontstaan door krachten, ‘schuifkrachten’, die bij herhaling evenwijdig aan het voetoppervlak op de huid worden uitgeoefend. (Krachten loodrecht op de huid heten dwarskrachten.)

Blaren verschillen in hun ontstaanswijze. De blaren tussen de kleine tenen komen van het onderling geschuif van die tenen. Blaren achter op de hiel ontstaan door het heen-en-weer van de schoen ten opzichte van de hiel dat de sok als schuifkrachten op de huid overdraagt. De blaren onder de hiel en onder de bal van de voet zijn het gevolg van grote dwarskrachten die, door de aard van de voet èn de sok en door ritmische kleine verschuivingen van de voet in de schoen, ook schuifkrachten ontwikkelen. Een zware rugzak versterkt dat effect.

Een vochtige huid is extra gevoelig voor schuifkrachten. Bovendien zijn vochtige voeten, vooral behaarde vochtige voeten, heel stroef, zoals iedereen weet die onmiddellijk na het baden zijn sokken wilde aantrekken. Ook de meeste sokken worden stroever (‘krijgen een hogere wrijvingscoëfficiënt’) naarmate ze vochtiger worden. Vocht beïnvloedt het ontstaan en het effect van schuifkrachten. Dit roept om een krachtig vochtbeleid.

Een voet produceert makkelijk 10 à 15 gram water per uur. Een sok neemt maar 4,5 gram op

Maar de mogelijkheden van dit beleid zijn beperkt. Een voet produceert makkelijk 10 à 15 gram water per uur. Wol kan 15 procent van het eigen gewicht aan water opnemen, voor een sok van 30 gram is dat 4,5 gram. Katoen neemt 8,5 procent op. Synthetische vezels nog minder. Binnen de kortste keren is de wandelaar afhankelijk van het vocht dat het schoenleer nog opneemt of dat langs de schacht van de schoen naar buiten wordt gepompt. Al te gauw wordt de voetzool al te vochtig.

Zo is er in de sokkenbranche aandacht ontstaan voor de invloed van vezels en breisels, en ook coatings, op de wrijvingscoëfficiënt van de sok. Google Scholar wijst met de trefwoorden ‘socks’, ‘blisters’ en ‘friction’ de weg naar recente literatuur. Verondersteld wordt dat het onmogelijk is om via een gladde sok zware schuifkrachten op de voethuid uit te oefenen: het principe van de minste weerstand. Dit heeft tot op heden geen sokken opgeleverd waarin – statistisch overtuigend – minder blaren dan gewoonlijk ontstaan, overigens vooral door de grote individuele verschillen in de neiging tot blaarvorming. De buitenstaander krijgt het onbehaaglijke gevoel dat misschien het hele model van blaarvorming niet deugt. Maar het is een genoegen om al het laboratoriumwerk langs te lopen. Dan ontdek je opeens dat er breisels zijn die bij het afschuifonderzoek in de ene richting een hogere wrijvingscoëfficiënt lieten zien dan in de tegenovergestelde richting. (E. Baussan en collega’s in Wear, 2010.) Misschien dat langs deze weg verklaard wordt waarom sommige sokken altijd onverbiddelijk van je voet aflopen.

Vooruitlopend op de komst van de ideale sok hebben wandelaars hun toevlucht gekozen tot introductie van ‘een vierde laag’. Zij beplakken de achterzijde van de hiel preventief met sporttape of leukoplast en voorkomen zo dat de vochtige, stroeve sok grote schuifkrachten op de huid uitoefent. Dit werkt. Een ander oplossing is de introductie van de ‘binnensok’, een dun, glad en elastisch sokje dat nauw om de voet sluit. De buitensok heeft daarop weinig greep. Dit helpt soms en soms niet.

Het uitzichtloze van het werk aan de wrijvingscoëfficiënt blijkt uit de waarneming dat voeten in heel gladde sokken bij langdurige afdalingen in de bergen lang en onprettig in de schoen naar voren schuiven zodat de grote teen ongebruikelijk zwaar belast wordt. Die teen verandert dan in een ‘runner’s toe’ of ‘jogger’s toe’ en dat is geen pretje. Bekijk de plaatjes bij Google.