Cultuur

Interview

Interview

Epke Zonderland bereidt zich in de topsporthal die zijn naam draagt voor op de WK turnen in Montreal.

Kees van de Veen

Epke kan vijf keer vliegen, als het moet

Epke Zonderland

Het WK turnen in Montréal is volgende week het eerste toernooi sinds zijn val in Rio de Janeiro. „Bij het aanleren van nieuwe vluchtelementen slaat mijn hart nog steeds op hol.”

Epke Zonderland legt beide armen over de stoelleuningen naast hem, begroet hartelijk de ober van Sportstad Café en bestelt een verse muntthee. Hij zit op zijn gemak in wat je zijn huiskamer zou kunnen noemen. De turner woont met vrouw Linda weliswaar aan de overzijde van de aanpalende A32, maar verblijft vaak in de achterkamer van het café, de Epke Zonderland Turnhal, een eerbetoon aan zijn olympische titel in 2012. Het is rustig deze maandagmiddag, een atmosfeer die past bij de gemiddelde gemoedstoestand van de turner, die zich ook Europees en wereldkampioen mag noemen. Heerenveen, Friesland, het bedaarde platteland, zijn thuis.

Buiten, om de hoek aan de Abe Lenstra Boulevard, bij de voordeur van eredivisieclub sc Heerenveen, waar echtgenote Linda zich om maatschappelijke projecten bekommert, staat de in brons gegoten Us Abe, Epkes voorganger als Trots van Friesland. Een idee: Us Epke, als toekomstig standbeeld? Hij twijfelt. Het zou beslist een eer zijn, maar ook ongemakkelijk aanvoelen, zegt hij. Vanuit zijn hart: „Dat de turnhal naar mij vernoemd is, vind ik al heel speciaal. Daar is het tenslotte allemaal begonnen. En de Epke Zonderland Hal blijft nog wel een tijdje staan, dat vind ik wel gaaf.”

Spektakelstuk op Facebook

In de Epke Zonderland Hal sleutelt de turner intensief aan zijn rekoefening, vooral aan de vluchtelementen waarmee hij wereldfaam verwierf. Hij kan er vijf, met welluidende namen als Cassina, Kovacs, Kolman en Gaylord. Als het moet turnt Epke ze alle vijf achter elkaar. Heeft hij al eens gepost op Facebook; een waar spektakelstuk.

Vijf elementen achter elkaar ziet er zo uit:

Maar heeft het zin? Op grote toernooien vooralsnog niet, is zijn redenatie. Omdat het nauwelijks extra punten oplevert. Hij knipt de vijf combinaties liever in tweeën: eerst Cassina met Kovacs, gevolgd door een paar tussenzwaaien en dan een koppeling van Kovacs gestrekt met Kolman en Gaylord 2.

Vijf op een rij acht Epke net iets te risicovol. Tenzij de concurrentie hem ertoe dwingt. „Ik kan me een situatie indenken dat de uitgangswaarden van de andere jongens zo hoog zijn, dat ik word geforceerd tot een combinatie van vijf vluchtelementen. Alleen dan ben ik bereid extra risico’s te nemen. Ik kan me alleen niet voorstellen dat een combinatie van vijf stabiel te krijgen is. Ik wacht komende week eerst de WK in Montréal af, dan ken ik de plannen van mijn concurrenten en weet ik in welke richting de scores gaan.”

Vluchtelementen

Praten over is makkelijker dan uitvoeren van vluchtelementen. „Bij het aanleren van nieuwe slaat mijn hart nog steeds op hol”, opent de acrobaat zijn ziel. „Vooral na mijn crash die in aanloop naar de Olympische Spelen tot een zware hersenschudding leidde, ben ik minder onbevangen, denk ik steeds meer na. Misschien maar goed ook, ben je er onbewust bewuster mee bezig. Met name de Gaylord 2 is tricky. Dan pak je de stang in ondergreep. Als je die mist, klap je met je hoofd tegen de grond. Bij die andere vluchtelementen land je op je benen en kun je afrollen. Bij de Gaylord 2 ben je aan je lot overgelaten. Als je gevoel niet goed is, is het best spannend om die te doen.”

Tussen de slokjes muntthee door praat Epke in de toekomende tijd. Maar hoe zeker is het dat hij doorgaat tot en met de Spelen van 2020 in Tokio? Dan is hij 34 jaar. Niet te oud? Vindt-ie niet. Zijn gevoel zegt nu dat hij nog één keer naar de Spelen wil. „Maar of ik ook ga, kan ik pas volgend jaar zeggen. Dan heb ik twee WK’s meegemaakt en kan ik inschatten of ik het nog twee jaar volhoud. Na de Spelen in Rio de Janeiro wilde ik nog niet stoppen. Had niets met mijn val te maken, want dat had ik in de maanden daarvoor al besloten. Onbewust speelde mee dat ik in de aanloop naar Rio de Janeiro niet fit was. Twee jaar kon ik niet doen wat ik wilde en dat knaagt. Ik wil niet stoppen op een moment dat het gevoel niet goed is.”

Specialisatie sportgeneeskunde

Zijn succesverhaal verlengt zijn ambitie, erkent hij. Evenals de geldelijke beloning, want Epke kan leven van zijn sponsorinkomsten. Alles bij elkaar maakt dat de keus makkelijker. Onverbloemd: „De kans op succes geeft je de prikkel net dat stapje extra te maken. Als ik op een lager niveau was blijven steken, zou ik niet zijn doorgegaan met turnen. Mijn studie geneeskunde zou dan de uitdaging zijn geweest. Ik houd er plezier in, omdat ik mezelf blijf ontwikkelen en omdat ik prijzen blijf winnen. Broer Herre maakte mee dat hij niet beter werd. Die koos ervoor om te stoppen. Dat had ik in die situatie ook gedaan.”

Afronding van zijn studie laat dus nog even op zich wachten, zelfs nu Epke vrijwel zeker weet dat hij zich gaat specialiseren in sportgeneeskunde. Aanvankelijk koos hij voor orthopedie, maar als chirurg is het contact met de patiënt minder persoonlijk, heeft hij ervaren tijdens coschappen. Hij heeft gemerkt dat vooral fysiologie zijn interesse aanwakkert. Nee, farmacie helemaal niet, reageert de turner met lichte afkeer. Als sporter geldt dat evenzeer. Hij is, in tegenstelling tot veel sporters, niet bereid de farmaceutische grens van doping te zoeken. „Ik verdiep me er niet in. Als ik iets mankeer, laat ik de medicatie uitzoeken door sportarts Karin Top.

Ik gebruik wel voedingssupplementen, multivitaminen, visolie en dergelijke, maar duik niet de literatuur in om uit te zoeken wat me een boost kan geven

Gemiste dopingtest

In het verlengde van die houding is doping voor Epke de ver-van-zijn-bed-show. Ja, hij wordt getest, soms ook aan huis, maar verder is hij vrij laconiek over preparaten. Op die ene keer na dat hij een dopingtest miste en een aantekening kreeg. Op drie gemiste testen volgt namelijk één jaar schorsing. Dat moment zat hem flink dwars. De turner ging in beroep, maar zonder resultaat. Ook zinloos, want een sporter wordt op grond van de dopingcode op voorhand verantwoordelijk gesteld voor zijn daden. Hoe dat zo kwam? Epke was met zijn vriendin net naar Groningen verhuisd, sliep achterin de woning en hoorde de deurbel niet toen de dopingcontroleur op een ochtend aanbelde. „Een gemiste test, dat was opeens spannend”, herinnert hij zich. „Niet nog een keer, dacht ik. Heb nog dezelfde dag een elektrische deurbel aangeschaft en die in de slaapkamer opgehangen.”

Epkes pregnantste ervaring met doping was de cocaïnezaak rond Yuri van Gelder, een leeftijdsgenoot met wie hij menig toernooi heeft gedeeld. En een collega met wie hij het goed kan vinden. Hij maakt de ringenspecialist geen verwijten.

Ik had niet het idee dat Yuri cocaïne gebruikte om zijn sportprestaties te verbeteren. Dat vind ik een belangrijk onderscheid

Onprofessioneel gedrag

Dat lag vorig jaar zomer even anders in Rio de Janeiro, toen Van Gelder door chef de mission Maurits Hendriks naar huis weg gestuurd. Toen heeft Epke Yuri wel aangesproken op zijn nachtelijke escapades, evenals de ander turners trouwens. „Wat ik heb gezegd, houd ik voor mezelf, maar ik vond dat Yuri zich onprofessioneel gedroeg. Als topsporter weet je wat je moet doen om te presteren, zeker op de Spelen. Dan blijf je professioneel, ook al ben je euforisch over een finaleplaats. Je laat dan geen steken meer vallen. Ik heb hem gezegd wat ik ervan vond en daarna was het voor mij klaar. Grotere straf dan hem wegsturen had je Yuri niet kunnen geven. Wat mij betreft krijgt hij een tweede kans. Die gun ik hem wel.”

De WK in Montréal, Epke’s eerste internationale toernooi na de teleurstellend verlopen Spelen, is na vier jaar ook de eerste die niet is voorbereid door Mitch Fenner, de Britse bondscoach die een maand voor Rio aan darmkanker stierf. Maar zijn geest hangt nog wel boven de ploeg, die dankzij de inspanningen van Fenner dusdanig aan eenheid en kwaliteit won, dat Nederland zich voor het eerst als team voor de Spelen kwalificeerde.

Epke mist hem, maar merkt wel dat Fenners aanpak niet is verkwanseld. Alsof hij vanaf een wolk nog steeds aan de touwtjes trekt. Respectvol: „Ik merk het aan de manier waarop de andere coaches zich gedragen; die zijn door Fenner veranderd. Persoonlijk gebruik ik nog steeds zijn schema waarin kleuren de doelstellingen en de vorderingen weergeven. Ook andere jongens werken met die kleuren, zie ik. Het grootste gemis zijn Fenners motivatiespeeches. Dat kan niemand overnemen. Gelukkig zitten die nog wel in mijn geheugen.”

Zo kijk je naar een oefening aan de rekstok:

Eerst de Spelen, dan weer studeren

Epke had een speciale band met Fenner, en de Brit met de Friese turner. Hij haalde hem ook naar Nederland, als persoonlijk adviseur, een taak die organisch overvloeide in de rol van bondscoach. Epke en Fenner deelden ook hun liefde voor de gitaar, de coach voor de akoestische, de sporter voor de basgitaar. Epke speelt met vrienden in een bandje, maar te sporadisch om die bezigheid veel gewicht toe te kennen. „Rockmuziek en een beetje poppy nummers, dat is ons genre. Vooral covers, ja. We hebben ook drie eigen nummers, maar die spelen we zelden. Het ontbreekt aan continuïteit om daarin te investeren. Waar ik zelf veel naar luister? Red Hot Chili Peppers, The Black Keys, dat werk. En indierock, in het bijzonder The National.”

Nu Epke als turner zijn langste tijd heeft gehad is de vraag opportuun of hij na zijn carrière een bestuurlijke functie in de sport ambieert. Hij is door NOC*NSF-voorzitter André Bolhuis ooit gevraagd zich beschikbaar te stellen voor de Atletencommissie van het IOC, wat hem qualitate qua tot IOC-lid zou hebben gepromoveerd. Hij zei nee, uit zelfbescherming. Turnen, studeren en besturen zou te veel van het goede worden. „Hoewel ik open sta voor nieuwe dingen, vind ik mezelf niet meteen geschikt voor het IOC. In tegenstelling tot mijn vader ben ik niet zo’n vergadertype. Eerst naar de Olympische Spelen in Tokio, dan mijn studie afronden en daarna zie ik wel weer of er ruimte is voor een bestuurstaak.”