Interview

‘Uiteindelijk is vrijheid verbeelding’

Orhan Pamuk Vaders en zonen zoals beschreven door Ferdowsi en Sophocles, Toergenjev en Dostojevski, Nietzsche en Freud duiken op in de nieuwe roman van Nobelprijswinnaar Pamuk, die zo onderzoekt hoe het huidige Turkije omspringt met zijn eigen vaderfiguren.

‘In het Westen zegt men: meneer Pamuk, natuurlijk, u schreef een parabel omdat u in Turkije de waarheid niet kunt zeggen. Ik zeg: integendeel, mijn verhaal verhult niets, het legt juist bloot hoe de zaken ervoor staan.’ Orhan Pamuk trekt getergd een trui uit. Zijn nieuwste roman, De vrouw met het rode haar, is evenzeer een realistisch verhaal als een gelijkenis die suggereert hoe Turkije met zijn vaderfiguren – goden, leermeesters, presidenten – omspringt. Het is, benadrukt de auteur, geen allegorie die eenvoudig te decoderen is.

In De vrouw met het rode haar gaan een puttengraver en zijn leerling, Cem, op zoek naar water op een rotsige hoogvlakte nabij Istanbul. Dagen achtereen hakt en houwt de meester zich een weg door de dorre grond, de leerling takelt emmer na emmer aarde en steen naar boven in de brandende zon. Water vinden ze niet.

Cem, de leerling, spaart voor zijn studie. Schrijver wil hij worden, gefascineerd als hij is door verhalen, zoals koning Oedipus van Sophocles, en dat van koning Rostam en zijn zoon Sohrab uit Het boek der koningen, het nationale epos van Perzië, geschreven door de dichter Ferdowsi (ca. 935-1020). De jonge Sohrab heeft zijn vader nooit ontmoet, en in zijn zoektocht naar hem stuiten hij en zijn manschappen op een vijandig leger. In de strijd wordt Sohrab gedood. Zijn moordenaar herkent aan de pols van Sohrab de armband die hij, Rostam, de vader, naliet aan zijn minnares, de moeder van Sohrab.

In het verhaal van Sophocles, het westerse verhaal, vermoordt de zoon de vader; in het Perzische verhaal vermoordt de vader de zoon – een onderscheid dat Cem zijn leven lang achtervolgt. Pamuk: „De roman is zowel een realistisch verhaal als een vergelijking tussen de fundamentele literaire mythen uit de Europese en de islamitische beschaving.”

Wat maakt Sophocles’ Oedipus fundamenteel westers?

„Koning Oedipus is voor ons, moderne mensen, een verhaal over individualisme. Zijn lot, te slapen met zijn moeder, zijn vader te doden, probeert hij te ontlopen. Wij leven met hem mee als hij ondanks zijn inspanningen niet ontkomt aan de profetie van het orakel. Maar in Sophocles’ tijd ervoer de toeschouwer geen mededogen voor Oedipus, maar catharsis: de goden zijn niet om de tuin te leiden en alles verloopt zoals is voorbeschikt. In onze moderne interpretatie probeert Oedipus te breken met het verhaal dat hem wordt opgelegd, te breken met de goden, en alleen, op zichzelf aangewezen, een nieuw leven te beginnen. Zijn misdaden zien we niet langer als zodanig, we begrijpen en vergeven hem zelfs.”

U suggereert, met Nietzsche, dat de Europeanen hun vader eigenhandig hebben omgebracht.

„Ja, ze doodden hun vader, en dat deden ze goed. Ik ben een individualist en ik geloof in de Europese waarden. Het verhaal van Rostam en Sohrab associeer ik daarentegen met autoritarisme: hier is het de vader die de zoon vermoordt. Alles voor de continuïteit, het land, de troon, het leger, de staat. Hier huilen we om Rostam en zijn ongelukkige lot, maar daarmee legitimeren we zijn misdaad, de moord op zijn zoon. In het Westen draait het om het individu, in het Oosten gaat het om het collectief.”

Kan het collectief niet zonder vaderfiguur?

„Dat zou ik niet willen beweren. In mijn boek onderzoek ik voorzichtig wat het is, dat grote collectieve goed waarvoor het individu moet wijken. Het antwoord blijft ongewis. In interviews roep ik misschien dat de democratie in Turkije verminkt is, in mijn boek beroep ik mij op meer subtiele vertelwijzen. Het boek komt voort uit een herinnering uit 1988. In een naburig huis werkte een puttengraver met zijn leerling, dag in dag uit. De opdrachtgever kwam langs, beloofde gouden bergen wanneer zij daadwerkelijk water zouden vinden. Eens in de zoveel tijd sjokten ze naar het dichtstbijzijnde dorp om nieuw gereedschap of materiaal te kopen, net als Cem en zijn leraar. Het verhaal wilde ik allang vertellen, nu paste het precies in de sfeer van het huidige Turkije, dat steeds maar autoritairder wordt.”

In uw boek beschrijft u drie generaties in Istanbul: de eerste is idealistisch, de tweede pragmatisch, de derde conservatief.

„De Russen, Toergenjev, Dostojevski, beschreven natuurlijk ook al de veranderingen in hun land aan de hand van generaties. Ik zie het steeds om me heen: vrienden die de druk van de hoge principes van hun vaders voelen, vaders die soms in de gevangenis belandden voor hun politieke doelen, en zo afwezige vaders werden. Zonen die besluiten het totaal anders te doen, alleen voor het geld leven bijvoorbeeld, en weer zonen voortbrengen die een andere weg inslaan en opnieuw met hun vaders breken.”

Een van uw personages verwijst expliciet naar Nietzsche en zegt dat we niet vrij kunnen zijn door de last van de geschiedenis en de herinneringen die we met ons meedragen. U suggereert dat ook de verhalen die we allemaal kennen, zoals dat van Koning Oedipus, onze vrijheid inperken, of zelfs ons lot bepalen.

„De secularisatie in Turkije kwam aanvankelijk, om met Milan Kundera te spreken, in de vorm van vergetelheid. We vergaten het verleden, maar ontwikkelden niet een nieuwe, eigen moderniteit. Maar je kunt je niet zomaar losmaken van de geschiedenis – om je ervan te bevrijden, moet je haar eerst kennen.

„De oude verhalen waar het moderne Turkije van af dacht te zijn, komen terug in nieuwe vormen. Zoals Freud zegt: dat wat onderdrukt wordt, komt terug in vermomming. Met Nietzsche denk ik ook: ondanks het gewicht van de verhalen die we met ons meedragen, kunnen we besluiten iets geheel anders te doen. Ik vertel de verhalen van Oedipus, Rostram en Sohrab opnieuw. Ze zijn onderdeel van ons collectief onderbewustzijn. Maar ik heb ze gekozen, bewerkt, geïnterpreteerd. Zo kan ik me ervan bevrijden. Uiteindelijk is vrijheid verbeelding.”

U schrijft dat Turken geobsedeerd zijn door authenticiteit en imitatie.

„In de afgelopen honderd jaar kwam dat wat goede literatuur, film of kunst heette uit Europa en iedereen deed het na. Er is hier een verlangen naar authenticiteit, natuurlijk een nationalistisch en puristisch verlangen dat niet politiek correct is. Maar het is ook een eerbare wens. De Europese culturele hegemonie maakt dat iedereen communiceert in kopieën en imitaties.”

De puttengraver in uw boek schijnt te denken dat niet de hemel, maar juist de diepste lagen van de aarde de goden herbergen.

„Net als elders ging aan de islam in Turkije een andere religie vooraf, met kenmerken van sjamanisme en animisme: de goden huisden in de aarde. Uit de diepte kwamen wezens die je zouden grijpen en mee zouden sleuren onder de grond. En nog altijd is de islam van de gewone Turken niet helemaal de officiële islam, nog altijd zijn er oude sjamanistische gebruiken in verweven. Die oude gebruiken zijn sterk verbonden met alle verhalen over waterputten. Hoe het er krioelt met salamanders en slangen, hoe de aarde ruikt, hoe mensen er spullen in gooien om ervan af te zijn, wapens bijvoorbeeld, of muntjes, diepten vol met dat wat we willen vergeten, willen onderdrukken, bronnen vol verborgen betekenissen.

„Mijn grootmoeder had een oude, in onbruik geraakte waterput in haar tuin. Mijn neven en nichten en ik speelden er altijd omheen, stiekem probeerden we het deksel eraf te halen. Dan kwam mijn grootmoeder op het balkon en gilde dat we moesten wegwezen, bang dat we erin zouden vallen. Ik heb vaak in die diepte gestaard, zoals je ook naar de sterren kunt staren.”

Welk verhaal draagt u vanaf jonge leeftijd met u mee?

„Toen ik een jaar of vijf was, en mijn moeder me nog hapje voor hapje moest voeren, vertelde ze mij verhalen. Mijn moeder had een rijke, ietwat duistere fantasie, en haar sprookjes waren altijd een tikje griezelig. Er was altijd iets wat ze niet vertelde, iets wat ze aan mijn verbeelding overliet. Dat draag ik met me mee: de scènes die mijn moeder niet in woorden vatte, de scènes die duister bleven.”