Ongelooflijk veel archeologische schatten komen uit het zand

Puntgave boten, honderden kratten vol aardewerk, duizenden mammoetbotten, massa’s Romeinse dakpannen. De grootste archeologische vindplaats van Nederland, in Gelderland, is onvoorstelbaar rijk. “We halen straks wel 200.000 vondsten.”

Een acht meter lange punter uit de Middeleeuwen, die wordt opgegraven in het Gelderse uiterwaardengebied Over de Maas. Herre Wynia (foto gemaakt met een drone)

De acht meter lange punter ligt er na zevenhonderd, achthonderd jaar nog zo gaaf bij dat je denkt dat hij zo weer kan uitvaren. Rondom de boot is er volop actie. Een pomp slurpt het grondwater in het binnenste weg, een drone hangt in de lucht om vanuit de hoogte foto’s te maken, camera’s worden opgesteld om gedetailleerde 360-gradenfoto’s te kunnen maken, er worden foto’s gemaakt voor een 3D-model, en op de achtergrond haalt een baggerschip zand naar boven.

„We hebben hier al twaalf schepen gevonden. Van de Romeinse tijd tot de Middeleeuwen, waaronder een Laat-Romeinse kano, die we in Nederland nog niet kenden, en een vroegmiddeleeuwse aak uit de tiende, elfde eeuw van meer dan twintig meter lang”, vertelt Nils Kerkhoven van de archeologische werkgroep Over de Maas. Hier, dat is een gebied van 275 hectare aan de Maasdijk tussen Dreumel en Alphen. „Dit is de grootste archeologische vindplaats van Nederland,” zegt Kerkhoven.

Deze plek heeft in zeven jaar tijd talloze vondsten opgeleverd. Uit de prehistorie duizenden botten en vele kiezen en slagtanden van mammoeten en andere pleistocene dieren, allerlei werktuigen uit de steentijd. Plus honderden kratten vol aardewerk dat dateert vanaf de prehistorie tot de Middeleeuwen, honderden menselijke botten, waaronder schedelfragmenten, uit verschillende perioden, massa’s dakpannen en tufstenen brokken uit de Romeinse tijd, ladingen aardewerk en stenen uit de Middeleeuwen, twintig middeleeuwse netverzwaringen gemaakt van Romeinse dakpannen, en bijna ontelbaar veel musketkogels en ander wapentuig uit de zeventiende eeuw. „We halen straks wel tweehonderdduizend vondsten”, zegt Kerkhoven.

Bordje ‘verboden toegang’

Het wonderlijke is dat die vondsten te danken zijn aan vrijwilligers, die nu tussen de mazen van het officiële systeem de bulk van de opgravingen doen. Want voordat in het uiterwaardengebied Over de Maas werd begonnen met de winning van zand, was er een archeologisch vooronderzoek gedaan. Daarbij was niets aangetroffen en Nederzand, een samenwerkingsverband van industriezandproducenten, kon beginnen zonder te hoeven wachten op archeologen.

En toen werd de eerste klei afgegraven bij de plek waar in de zestiende eeuw prins Maurits Fort Voorne als rivierbewaking had laten bouwen. Kerkhoven: „Borden ‘verboden toegang’ en ‘gevaarlijk terrein’ hadden geen afwerende werking, want binnen twee weken liepen er mensen met metaaldetectoren rond.” Die hoorden vele ‘piepers’ in detectoren: musketkogels en wapens uit het fort.

Kerkhoven, die zelf in Dreumel woont en óók werkt als archeoloog voor de gemeente Utrecht, begreep dat er wel archeologische resten te vinden waren: „Toen hebben we snel een archeologische werkgroep met vrijwilligers uit de omgeving opgericht en zijn we naar Nederzand gestapt.” Wettelijk gezien had het bedrijf geen enkele verplichting, maar de bestuurders hadden wel belangstelling voor geschiedenis en archeologie en ze besloten met de werkgroep samen te werken. „Als we tijdens het afgraven ergens iets vinden kunnen we gemakkelijk de werkzaamheden verplaatsen”, zegt directeur Herman van der Linden.

Na de eerste vondsten had de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) alsnog officieel archeologisch onderzoek kunnen eisen, maar dat is niet gebeurd. Dat doet de RCE eigenlijk nooit, omdat de dienst projectontwikkelaars en bouwers niet tegen zich in het harnas wil jagen.

Nederzand sloot een overeenkomst met de vrijwilligers, vertelt Kerkhoven. „We hebben een pasje om ons op het afgesloten terrein te kunnen legitimeren, we dragen een hesje voor de veiligheid en alle vondsten gaan naar de projectcollectie. Sommige metaaldetectoramateurs wilden zo niet meewerken en waren dus niet meer welkom.”

Vrijwilligers jagen met schepnet op alles wat op een werktuig, een bot of een dakpan lijkt

De groep bestaat nu uit achttien vrijwilligers, van jong tot oud, man en vrouw, en met verschillende achtergronden, van scholier tot gepensioneerde chef van een scheepswerf. „Ik heb hotelschool gedaan en was tot voor kort eigenaresse van een theehuis”, vertelt Sigrid van den Heuvel, die zich bijna voltijds met het project bezighoudt en is uitgegroeid tot Kerkhovens rechterhand.

De vrijwilligers mogen ook op het baggerschip komen om bij de zeef het zand en materiaal dat van grote diepte wordt gehaald in de gaten te houden. Dat veroorzaakte in eerste instantie een beetje een scheef gezicht bij een andere amateurarcheoloog. Kerkhoven zegt:

“Anton Verhagen – vorig jaar op 71-jarige leeftijd overleden – hield al decennia de baggerwerkzaamheden in het gebied in de gaten en had in die wereld goede contacten. Zo heeft hij vele ontdekkingen gedaan. Maar hij was hier vooral geïnteresseerd in dierlijke botten uit het pleistoceen en artefacten uit de steentijd. Verder was hij al op leeftijd en stond hij incidenteel bij de zeef. Wij hebben een rooster gemaakt zodat iedere dag van zeven uur ’s ochtends tot een uur en van een uur tot zeven uur ’s avonds twee van ons bij de zeef staan.”

Met een helm op vissen ze met grote schepnetten alles wat op een bot, een stuk bewerkt steen of een dakpan lijkt van de zeef om nader te bestuderen. Iedere dag worden zo tientallen vondsten gedaan.

Het was te veel werk voor de vrijwilligers alleen. Kerkhoven wist via zijn contacten in de archeologie hulp te krijgen van experts. Die offeren nu, aangestoken door het enthousiasme van de vrijwilligers hun vrije tijd of vakantiedagen op. Zo is er een student archeologie van de Universiteit Leiden die er geen studiepunten voor krijgt, maar hij vindt vooral de vondst van de schepen zo interessant dat hij er bij wil zijn. Archeoloog Herre Wynia van de gemeente Utrecht bedient op een vrije maandag de drone om luchtopnamen te maken.

Foto Theo Toebosch

Zittinkje van naaldhout

Laura Koehler, scheepsarcheologe bij de RCE en Batavialand, heeft officieel nog vakantie, terwijl ze zich met de eveneens vakantievierende veldtechnicus Gert Schreurs over de punter in het zand buigt. „Deze stamt waarschijnlijk uit de dertiende of veertiende eeuw en heeft een zittinkje achterop, gemaakt van naaldhout.” Dit is de vierde middeleeuwse punter die ze in het gebied vinden. „Niet een is hetzelfde. Onderzoek van het hout en de bouwmethode kan mogelijk wel duidelijk maken of er sprake was van een punterbouwer in de buurt. Sowieso geeft de grote hoeveelheid schepen een mooi beeld van wat hier in verschillende perioden heeft rondgevaren.”

Richard Jansen van de Universiteit Leiden, gespecialiseerd in de ijzertijd, komt op weg naar zijn andere baan als gemeentelijk archeoloog van Oss ook even een kijkje nemen. Hij zegt:

„Afgelopen zomer heb ik met een collega en studenten een klein veldonderzoek gedaan, onder andere om het vroegere landschap en de loop van de rivier in kaart te brengen. De TU Delft en de Universiteit Utrecht hebben ook meegeholpen.”

Jansen wijst naar de dijk waarachter de Maas stroomt. Aan de overkant ligt Kessel-Lith, de plek die vorig jaar bekend is geworden als de plek waar Julius Caesar twee Germaanse stammen zou hebben vernietigd. Die theorie is ook gebaseerd op baggervondsten. „Maar daarvan zijn geen stratigrafische gegevens bekend”, zegt Jansen. „Aan de zandzuiger hier zit een gps, zodat straks met de baggerdata wel een soort stratigrafie is aan te brengen. Zo kunnen ook verspreidingskaarten van vondsten gemaakt worden. Dat is ook van belang voor Kessel-Lith, want dat vormt één grote vindplaats met deze plek. Dat maakt het mogelijk om aan de hand van de hier gevonden menselijke botten de veldslagtheorie te toetsen. Maar dat is slechts een van de vele verhalen bij deze unieke vindplaats.”

Herre Wynia (foto gemaakt met een drone)
Herre Wynia (foto gemaakt met een drone)
Herre Wynia (foto gemaakt met een drone)

Mogelijk een Romeinse tempel

De meeste vondsten bij Dreumel stammen uit de Romeinse tijd, zegt Kerkhoven. „We hebben heel veel tufsteen.” Een deel is afkomstig van baggerwerkzaamheden in de jaren dertig van de vorige eeuw, maar veel tufsteen komt van de kant van Dreumel en Alphen. Dat wijst op een of meerdere belangrijke Romeinse bouwwerken. Kerkhoven: „Ik heb aanwijzingen voor kadewerken, een tempel en andere gebouwen.”

Kerkhoven heeft zelfs al een schuin oog geworpen op de Peutingerkaart, een middeleeuwse kopie van een Romeinse reiskaart met onder andere Romeinse steden in Nederland. Voor een deel is nog steeds niet bekend waar bepaalde plaatsen op de kaart lagen, maar Kerkhoven wil wel een hypothese voor een van die onbekende plaatsen naar voren brengen. „Ik denk aan Duodecimum, tussen Noviomagus (Nijmegen) en Grinnes, dat bij Rossum wordt gelokaliseerd. Hier is mogelijk een statio geweest, een al dan niet militaire overslagplaats of pleisterplaats, en een nederzetting. Zoiets is ook te verwachten bij de vroegere samenvloeiing van Maas en Waal. Er kan ook een brug zijn geweest.” Omdat via de zuiger van het baggerschip alleen kleine brokken tufsteen naar boven komen, gaat Kerkhoven met duikers kijken of er onder water resten van pijlers te vinden zijn.

Het enige dat nu ontbreekt is een budget voor de uitwerking van de vondsten. Mark Driessen van de Universiteit Leiden, die afgelopen zomer ook bij het veldwerk was, zegt: „Het zal lastig worden om daar nu al geld voor te krijgen, bijvoorbeeld bij NWO.” NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, is de nationale wetenschapsfinancier in Nederland. Driessen: „Het is de vraag of universitaire archeologen de uitwerking in hun vrije tijd gaan doen; ik heb bijvoorbeeld ook nog een project in Jordanië, dat wel bekostigd wordt.”

Maar ook voor dit probleem denken de vrijwilligers een oplossing gevonden te hebben. „Studenten kunnen delen voor scripties uitwerken,” zeggen Kerkhoven en Van den Heuvel:

„Maar we willen de uitwerking ook gaan crowd sourcen. Op een website bieden we bepaalde vondsten aan. Iedereen die iets wil uitzoeken, professional en vrijwilliger, kan zich melden en krijgt na bepaalde schriftelijke afspraken de mogelijkheid en de tijd om een vondst te onderzoeken en uit te werken.”