Cultuur

Interview

Interview

Foto Wouter Van Vooren

Hard bewijs ontbreekt en dat knaagt nog, ook bij Griet Op de Beeck zelf

Griet Op de Beeck

In haar nieuwe roman schrijft Griet Op de Beeck over incest en ze wilde niet langer zwijgen over haar eigen incestherinneringen. „Ik wil een pleidooi houden voor het durven uiten van lelijke gevoelens.”

‘Het allermoeilijkste is geloven dat het gebeurd is. Eerst is er verdringing, dan ongeloof uit zelfbescherming. Alles in je weigert het te geloven. Dat hield ik vol tot er op een moment tijdens therapie een diep, verpletterend, verwoestend gevoel over me heen gutste – ik kan het niet anders beschrijven. Toen kon ik niet meer volhouden dat er misschien toch iets anders aan de hand was. Maar dat gevoel moet ik mij nog heel dikwijls voor de geest halen, om niet weer weg te glijden in: misschien…”

Van haar vijfde tot haar negende is de Vlaamse schrijfster Griet Op de Beeck (1973) misbruikt door haar vader, vertelde ze afgelopen maandag bij De Wereld Draait Door. Ze presenteerde er haar nieuwe roman Het beste wat we hebben, het eerste in een trilogie over incest. Het maakte veel los: ontroering, bijval, maar ook argwaan. Herinnerde Op de Beeck het zich wel correct? Want hoe betrouwbaar zijn hervonden herinneringen?

„Zulke reacties moedigen slachtoffers juist aan om te zwijgen, ik ondervind dat effect nu aan den lijve. Ik draag liever bij aan een cultuur van openheid”, reageert Op de Beeck. Ze benadrukt: „Mijn verhaal hangt niet af van of je in het hervinden van verdrongen herinneringen gelooft. De beelden die ik heb van het misbruik vormen maar één van de 107 secundaire bewijzen, en niet eens de belangrijkste voor mij.”

Een paar dagen voor het optreden, aan tafel thuis in Gent, anticipeert Op de Beeck wel al op argwanende reacties. „Die paar beelden die ik me herinner – tja, ik ben wel een schrijver, hè. Ik heb natuurlijk een rijke verbeelding. Maar als ik twijfelde, zei mijn psychiater pertinent: mensen die dat niet meemaken hebben nooit zulke beelden. Het zijn hele vreemde, walgelijke taferelen.” Wat ze zich herinnert is niet veel. „Er is een zeer grote verdringing, dat is een klassieke reactie van de hersenen. Bij jonge kinderen zijn de hersenen neurologisch nog niet voldoende ontwikkeld om herinneringen in taal op te slaan. De impact is niet minder groot, maar het maakt de herinneringen later moeilijker te ontsluiten. Het zijn losse beelden, geen filmpjes, de context ontbreekt.” Dus hard bewijs ontbreekt en dat knaagt nog, ook wel eens bij Op de Beeck. „Dit klinkt pervers, maar ik zou zó blij zijn als er een doos gevonden zou worden met polaroids waarop ik in mijn blootje in een rare pose sta.”

Trauma

Maar de beelden, de ‘hervonden herinneringen’, zijn lang niet het enige waardoor Op de Beeck de afgelopen jaren ontdekte wat haar al jaren dwarszat. Ze las het standaardwerk over trauma van de Amerikaanse psychiater Judith Herman, waarna ze symptoom na symptoom bij zichzelf herkende. Ze legde een lijst van ‘secundaire bewijzen’ aan. Geen klokgelui kan ze horen zonder een raar gevoel te krijgen. „Dertig seconden later realiseer ik me dan: natuurlijk, de kerkklokken.” Ze heeft meer vreemde reacties op dingen die niet vreemd zijn. „Ik heb een hartgrondige afkeer van voeten, ik kan er echt niet tegen. Zelfs de meest elegante, propere voet… Een voetje van een kind van drie gaat nog, maar als ze wat groter zijn: nee. Ik kan het niet uitleggen.”

Niet anders uitleggen dan: een trauma. „Mijn vader had uitgesproken vreselijke voeten en hij had het altijd warm, dus ook in de winter zat hij in zijn zetel met zijn blote voeten op tafel.” En het gezin woonde in de straat waar de kerk stond.

Griet Op de Beeck: Wie inziet waar zijn eigen angsten, frustraties en onvermogens vandaan komen, hoeft niet met een beschuldigende vinger naar de maatschappij te wijzen. Foto Wouter Van Vooren

Het trauma kwam uiteindelijk tijdens therapie naar boven, lange tijd weigerde ze de aanwijzingen te zien. Zelfs toen een oudere zus het gezin er jaren geleden mee confronteerde dat vader háár misbruikt had – toen zij uit huis ging, begon het bij Griet – nam nog niemand de beschuldiging serieus, ook Griet niet. Later zou een ander gezinslid zich iets herinneren dat het verhaal bevestigde.

Maar ook met Griet wás iets. Dat wist ze zelf: ze heeft geleden aan een eetstoornis, had een laag zelfbeeld, viel op de foute mannen, slaagde er niet in intieme, veilige vriendschappen te sluiten, liep rond met grote gevoelens van eenzaamheid, leegte, rusteloosheid. Had nachtmerries. De buitenwereld zag het soms ook: als interviewvragen te persoonlijk werden, klapten de luiken dicht. „Sommige mensen dachten in Zomergasten [in 2016, red.] al te zien dat er iets was waar ik omheen praatte. Dat ik nog niet in staat was om…”, zegt ze. „Ik had mijn leven lang een masker op.” Ze aarzelt, ze heeft haar verhaal niet van tevoren klaar. Dit gesprek, zegt ze, voelt een beetje als oefenen.

Oefenen voor het televisieoptreden bij de verschijning van Het beste wat we hebben, omdat ze het verhaal „op mijn manier naar buiten wil brengen”. De roman heeft de autobiografische link niet per se nodig, maar toch moet haar eigen verhaal over incest wereldkundig worden, vindt ze. Omdat het geen geheim zou moeten zijn. Omdat over zulke trauma’s niet gezwegen mag worden. „Vraag maar wat je wilt vragen. Dat is het hele plan.”

Waarom is dat het plan?

„Ik denk dat elke schrijver op het punt komt dat hij denkt: nu moet het maar eens over de grote wonde gaan. Een tijdlang was ik daar nog niet toe in staat. Toen ik mijn debuut Vele hemels boven de zevende schreef, leefde ik nog in totale onwetendheid over het misbruik. Dat kwam pas dwingend naar de oppervlakte in de tijd dat ik Kom hier dat ik u kus afrondde. Niet dóór het boek, maar het was eigenlijk raar om te lezen wat ik daar schreef over een grote, warme verzoening tussen een vader en een dochter. Dat was een wensdroom, in je boeken maak je de wereld toch voor een stukje zoals je zou willen dat ze was. In Gij nu zat al een verhaal over de thematiek. Alsof ik een teen in het water stak: hoe gaat het en hoe voelt het als ik daarover schrijf?”

En? Hoe ging dat en hoe voelde dat?

„Ik voelde dat daar iets echts bewoog. Maar ik kon nog niet verder. Ik wilde zelfs de trilogie schrijven en dan maar een smoes verzinnen. Journalisten zouden natúúrlijk vragen waarom ik nu juist over dit thema schreef. Maar ik kreeg een steeds slechter gevoel over dat plan. Dan speel ik in feite de daders in de kaart. Het is een typisch fenomeen voor slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag om zelf schaamte te voelen over wat er gebeurd is. Die schaamte wil ik niet meer torsen.”

In uw nieuwe boek beschrijft u een gesprek tussen de hoofdpersoon Lucas en zijn vrouw, waarin hij haar vertelt welk misbruik er in zijn familie heeft plaatsgevonden en dan reageert zij afhoudend: ‘Zoiets is toch privé’, en: ‘Daar hebben anderen toch niets mee te maken’. Is dat een soort gesprek van u met uw vroegere zelf?

„Ja. Niemand staat graag stil bij het misbruik van een kind van vijf jaar, dat is niet gezellig, maar misbruikslachtoffers worden gedwarsboomd door die cultuur van toedekken. Ik wil een pleidooi houden voor het durven uiten van lelijke gevoelens, voor het confronteren met die onwenselijkheid. Juist omdat ik vanwege mijn boeken reacties krijg van mensen die zichzelf vragen gaan stellen en stappen zetten, voel ik een zekere verantwoordelijkheid om er wel over te beginnen.”

Foto Wouter Van Vooren

Waarom voelen slachtoffers die schaamte?

„Incest gaat veel meer over macht dan over seks. Veel mensen denken dat incestslachtoffers wat problemen met hun seksleven hebben, maar nog veel schadelijker is een gevoel van constante onveiligheid. Dat heeft een verwoestend effect op alle aspecten van je persoonlijkheid. Je moet je inbeelden dat je als kind van vijf moet proberen een band te krijgen met mensen die totaal onbetrouwbaar blijken te zijn. Je ontwikkelt vertrouwen in een omgeving waar mensen je volledig in de steek laten. Je moet een gevoel van eigenwaarde kweken terwijl je alleen het signaal krijgt dat je ten dienste staat van anderen en er zelf niet mag zijn. Je moet jezelf troosten in een omgeving die geen enkele troost biedt. Je moet met je lichaam leren omgaan terwijl je lichaam een object is waar mensen mee doen wat ze willen – en dan nog wel de mensen die je zouden moeten beschermen. Je wordt zo gemanipuleerd dat wat jij als heel onprettig ervaart juist als goed en fijn voorgesteld wordt.

„Dat leidt tot een diepe zelfhaat en een zeer problematische houding tegenover anderen. Ik dacht heel lang: de enige mogelijke manier waarop ik ooit vrienden kan behouden is door me een masker aan te meten, door niet te spreken over mijn donkerte en angsten. Dat ten dienste staan heb ik geleerd van mijn vader – en later zocht ik onveilige relaties op bij zorgbehoevende, dominante mannen. Ik denk dat ik pas een paar jaar in staat ben om echt een connectie te maken met mensen.”

Wat voor man was uw vader?

„Hij was intelligent, charmant, zo zal iedereen zich hem herinneren. Maar ook dominant, egocentrisch en hij cultiveerde een soort hulpeloosheid waar ik hem van kon redden. Ik was zijn favoriete kind. Op zijn sterfbed heeft hij me nog gevraagd of hij een slechte vader was geweest, en ik heb hem gerustgesteld. Ik voelde me verantwoordelijk voor zijn geluk, zijn onmogelijke geluk – hij kon je altijd erg laten voelen dat hij het zwaar had en aandacht nodig had. Maar in alle jaren dat ik hem opbelde en interesse toonde, heeft hij nooit één echt geïnteresseerde vraag aan mij gesteld, ook niet toen het zichtbaar slecht met mij ging door de anorexia.”

Waarom bleef u het volhouden?

„Je houdt een fundamentele hunkering naar nabijheid, naar de liefde die je nooit hebt gekregen.”

Bent u nu van die eetstoornis af?

„Ik heb nog wat rare neigingen, maar ik zou niet meer van mezelf zeggen dat ik nog een eetstoornis heb, nee. Toen ik al schrijfster was en wat succes had, heb ik wel een terugval gehad. Ik ben toen vermagerd, maar niet spectaculair, ook omdat mijn therapeut het snel in de gaten had. Mijn zelfbeeld was nog negatief, en toen kreeg ik ineens bevestiging. Lieve mails, mensen die een selfie met je willen maken – in mijn wereld is dat ingewikkelder dan alleen maar leuk. Ergens strookt dat zó niet met je zelfbeeld. Ik begon dus een tegenwicht te creëren en het duurde een jaar voor ik dat eetprobleem uitgebannen had.”

We moeten het over maakbaarheid hebben. U zei eerder dat u er het levende bewijs van bent. Maar in dit boek lijkt u die maakbaarheid ook soms te bevragen: Lucas gaat bij een brug wonen om zelfmoordenaars van springen te weerhouden, wat niet gemakkelijk gaat.

„Ja, je krijgt het niet cadeau. Ik weiger te geloven dat iemand die een einde aan zijn leven maakt per definitie reddeloos was, maar ik ben ook niet zo naïef om te denken dat alles wel in orde komt als je maar even je best doet. Sommige mensen zijn zo beschadigd dat het wel heel moeilijk wordt. Maar ik spreek over die grote middenmoot van mensen die ogenschijnlijk functioneren, maar met van alles worstelen, met klachten als depressie, burn-out. Tegen hen wil ik zeggen dat als je durft en wilt kijken naar waar dat allemaal mee te maken heeft, je daarvoor beloond zult worden. Ik denk dat die ziektes van onze tijd, depressie en burn-out, samenhangen met onze cultuur waarin we per se wenselijk gedrag moeten vertonen en waarin perfectionisme gezien wordt als iets positiefs. Terwijl een perfectionist het nooit goed genoeg vindt. Dat leidt tot een gebrekkige zelfwaarde die enorm ondermijnend is.”

Een hoofdpersoon die zelfmoordenaars van de brug wil helpen, voelt als een metafoor voor wat u als schrijver bent geworden: iemand die mensen helpt een uitweg uit de ellende te vinden.

„Tijdens het schrijven probeer ik gewoon het beste verhaal te schrijven, dan ben ik echt niet bezig met dat effect. Maar je probeert toch iets te doen bewegen. Het gaat niet goed met de wereld, en hoe verhoud je je daartoe? Het enige antwoord dat ik kan verzinnen is dat we moeten proberen te zoeken naar dat unieke stukje waarin we zo dicht bij onszelf komen dat we weten dat we dát moeten proberen te zijn of te doen. Bij mij is dat boeken schrijven, en dan op mijn manier.”

Maar u bent toch óók een missionaris voor de boodschap dat mensen naar hun diepste gevoel moeten luisteren?

„Is mijn lichte missioneringsdrang irritant? Ik denk echt dat het van groot maatschappelijk belang is om mensen ertoe te bewegen eerlijk naar zichzelf te kijken. Wie inziet waar zijn eigen angsten, frustraties en onvermogens vandaan komen, hoeft niet met een beschuldigende vinger naar de maatschappij te wijzen. Dan kun je de wereld tegemoet treden met een openheid die ervoor zorgt dat je niet gaat stemmen op machtswellustelingen met een narcistische inslag. Ik wil niet zeggen dat ik met mijn boeken de wereld verander, maar je moet ergens beginnen.”

En u wordt er zelf gelukkiger van, toch? Van schrijven en van zelfonderzoek?

„De belangrijkste opdracht in het leven is evolueren, vind ik, zeker in het leven van een schrijver. En van het aangaan van die chaos, die sprong in het diepe, hoop ik zelf ook beter te worden. Ik heb mezelf echt heruitgevonden, en dat is een heftige kutweg geweest, maar daar ben ik dan ook zó voor beloond. Tien jaar geleden had ik niet durven geloven dat het leven zo kon zijn als ik het nu elke dag ervaar. Er is grond onder mijn voeten gekomen. Dat is iets wat ik iedereen toewens.”