Recensie

Meisjeslevens in al hun onbegrijpelijkheid

Van poppenkind tot en met puber. In een originele en geheimzinnige bundel met 35 gedichten en zelfgemaakte objecten creëert totaalkunstenaar Ted van Lieshout vooral veel verwondering.

Pop die Ted van Lieshout maakte bij het gedicht Aan tafel II. Foto uit besproken boek

Met zijn nieuwe dichtbundel Onder mijn matras de erwt doet Ted van Lieshout zijn naam als ‘korte-afstandschrijver’ eer aan. Waar andere auteurs minstens tweehonderd pagina’s en een woordenvloed nodig hebben om een portret van een opgroeiend meisje te schetsen, heeft totaalkunstenaar Van Lieshout genoeg aan vijfendertig gedichten.

In de inhoudsopgave maken we al direct kennis met haar: Van Lieshout (1955) portretteert het meisje op karakteristieke wijze in enkele ferme zwarte, zwierige lijnen, die levenslust suggereren. Vervolgens neemt ze zelf het woord en ontstaat een ontroerend en intrigerend beeld van een onwaarschijnlijk levensecht, compleet meisje dat, soms vertwijfeld en dan weer zelfbewust, stapje bij beetje afscheid neemt van haar kindertijd.

Van Lieshout voelt feilloos aan dat dat niet zonder geworstel gaat: knap zoals hij zich in zo’n meisje verplaatst. In het openingsgedicht speelt ze nog haar rol als poppenmoeder, het enige gedicht in strak rijm en ritme. Maar verderop wordt ze zich voorzichtig bewust van alle veranderingen die zich binnenin en buiten haar voltrekken, en van de voorbijglijdende tijd, die fraai weerspiegeld wordt in haar taal.

Ze ziet haar oma ‘langzaam sterven’ en verdwalen in haar eigen jeugd (‘daarin besta ik natuurlijk nog niet’). Ook vraagt ze zich af wie ze eigenlijk is (‘tot nu toe heeft mijn moeder acht verschillende antwoorden/ gegeven op mijn vraag of ik wel echt haar kind ben’), waartoe ze hier op aarde is (‘er is tot nu toe niemand geweest die heeft gezegd: het is fijn/ dat je er bent, we hebben al zo lang op je gewacht’). En hoe ze ‘ooit de mooie, de goede,/ de slimme, de schone en de knappe’ wordt.

In de gedichten over haar gescheiden ouders toont ze zich juist scherpzinnig en verongelijkt. Humorvol en wrang tegelijkertijd klinken de concluderende dichtregels in bijvoorbeeld ‘uit elkaar’:

Wij hebben misschien geen recht op wijze ouders,

maar wij hadden er wel op gerekend.

We kunnen er ook naar blijven verlangen,

al begrijpen we dat het geen zin heeft.

Mooi en doeltreffend zijn Van Lieshouts terloopse verwijzingen naar haar door haar ouders gecreëerde prinsessenstatus en de klassieke en-ze-leefden-nog-lang-en-gelukkig-sprookjes. Zo droomt ze – een pubermeisje passend – van een prins die langs haar vlecht naar boven klimt om haar ‘wild’ te zoenen en een kikker om dapper te kussen. Gaandeweg veranderen deze verlangens in onbestemde lustgevoelens. Als ze haar aftakelende oma opzoekt, die ‘hoest alsof ze gaat ontploffen’ en haar niet bij zich wil, zegt het meisje:

als je mijn armen niet

meer nodig hebt, oma, vind je het dan

goed dat ik ze aan een ander meisje geef?

Ik ben bang dat ik anders ontplof.

Dit soort beelden en de heldere, directe toon geven de gedichten een grote zeggingskracht en meerduidigheid. Daarnaast doet Van Lieshouts altijd originele spel met taal je regelmatig verwonderen. Wie weet bijvoorbeeld wat ‘een zaam’ is, eentje ‘met sproeten’ bovendien?

Die verwondering wordt nog eens op unieke wijze versterkt door fascinerende foto’s van vijftien poppenkoppen van witte, zelfdrogende klei, met knikkerogen, door Van Lieshout zelf gemaakt. Aangekleed met huis-tuin-en-keukenmaterialen tonen ze subtiel verwantschap met de gedichten. Zo zijn de kleikoppen naast de drie ‘aan tafel’-gedichten getooid met bleekselderij, kool en een koffiekopje. En vergezelt de poppenportretfoto met gele huishoudhandschoen het aangenaam tegendraadse gedicht ‘afwasweer’: ‘buiten is het afwasweer/ en binnen waart mijn moeder/ rond met regen’.

Dit alles maakt de bundel origineel, spannend en geheimzinnig en – als portret van een opgroeiend meisje – onmiskenbaar van Van Lieshouts hand. Goede poëzie weerspiegelt het complete leven in al zijn onbegrijpelijkheid. En goede poëzie schrijven, dat kan Van Lieshout als geen ander. Onbegrijpelijk goed.