Recensie

Kleurrijk volk, die protestanten

God en de moderniteit Aan strijdlustige protestanten danken we vrijheid van meningsuiting en democratie. Maar kerkhistoricus Alec Ryrie levert er in zijn levendige boek ook kritiek op.

De Nieuwe Kerk in Haarlem door Pieter Jansz. Saenredam, nu in de collectie van het Szépmüvészeti Múzeum in Boedapest. Foto Getty Images

Hoe vaak kun je iets uitvinden? Bekend is dat sommige uitvindingen, zoals de radio en de differentiaalrekening, min of meer gelijktijdig door onafhankelijk van elkaar werkende onderzoekers zijn gedaan. En ook de zogenoemde neolithische revolutie – de komst van landbouw en de overgang van een nomadisch naar een sedentair bestaan – voltrok zich in Zuid-Amerika en Eurazië volkomen onafhankelijk van elkaar. Maar hoe zit dat met minder tastbare zaken, zoals het tegenwoordig heel populaire filosofische en ideeënhistorische begrip moderniteit?

Volgens historicus Jonathan Israel, auteur van een drietal dikke boeken over de Verlichting, kan er geen twijfel aan bestaan dat de ‘kernwaarden’ van de moderniteit het product zijn van de filosofische revolutie die zich in de zeventiende eeuw voltrok, en waarvoor Descartes en Spinoza de grondslag legden. Maar in de ogen van de grote negentiende-eeuwse historicus Jacob Burckhardt vond de bewustwording en bevrijding van het individu plaats in het Italië van de Renaissance, terwijl Larry Siedentop in zijn Inventing the Individual (2014) dit proces lokaliseert in de eeuwen daarvoor, en op het conto van het christendom schrijft. Volgens bestsellerauteur Tom Holland valt de heugelijke gebeurtenis zelfs exact te dateren, namelijk in het jaar 1076, toen paus Greogrius VII in zijn conflict met keizer Hendrik IV de scheiding tussen kerk en staat afdwong. Zijn Millennium (2008), vertaald als De gang naar Canossa, werd door een Britse recensent samengevat als: ‘Hoe het pact tussen een obscure paus en een middeleeuwse keizer leidde tot het homohuwelijk en Voltaire’.

Is Ryrie bezweken voor de wens van de uitgever om een zo pakkend mogelijke ondertitel te verzinnen?

Echt vreemd is het dus niet dat ik een zucht van vermoeidheid slaakte toen ik de ondertitel las, Het geloof dat de moderne wereld vormgaf, van Alec Ryrie’s geschiedenis van het protestantisme: hier wordt de moderniteit voor de zoveelste maal uitgevonden! Op zich is het ook niet zo origineel om de Reformatie van de zestiende eeuw aan te wijzen als het moment waarop de moderne wereld ontstond. Veel auteurs hebben dat al gedaan, en vijf jaar geleden benadrukte de katholieke historicus Brad S. Gregory in The Unintended Reformation dit opnieuw, waarbij hij dit verschijnsel overigens betreurde (recensie in Boeken, 13.04.2012).

Maar wil dat zeggen dat Ryrie een slecht boek heeft geschreven? Of is hij gewoon bezweken voor de wens van de uitgever om een zo pakkend mogelijke ondertitel te verzinnen?

Het is natuurlijk niet zo vreemd dat Ryrie (1971), hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Durham, voor dit overzichtswerk op zoek ging naar een gemeenschappelijke karaktertrek, aangezien je protestanten natuurlijk in alle denkbare soorten en maten hebt. Lutheranen, anabaptisten, anglicanen, calvinisten, arminianen, methodisten, presbyterianen, quakers, shakers, adventisten, zevendedagsadventisten, baptisten, congregationalisten, Moravische broeders, unitariërs, leden van de Pinksterbeweging – het aanbod is schier eindeloos, en alleen al in Nederland, waar in 2004 de grootste kerken samengingen in de Protestantse Kerk in Nederland, zijn er maar liefst veertien officiële protestantse kerkgenootschappen.

Wat bezielt protestanten eigenlijk, om telkens maar weer nieuwe kerkgenootschappen of sektes te beginnen? En wat is hun gemeenschappelijke kenmerk, wat onderscheidt hen van andere christenen?

Misbruik van de Bijbel

Ryrie begint zijn boek met een citaat van Erasmus, die in 1524 zijn beklag deed over de beweging die zeven jaar eerder door Luther in gang was gezet. In zijn ogen misbruikten de hervormers de Bijbel, hielden zij hun eigen interpretatie voor de enige juiste, en gaven ze aan teksten zo’n draai dat die precies konden betekenen wat hen uitkwam. ‘Daarmee lijken ze op jongens die buitensporig veel van een meisje houden en zich verbeelden overal waar ze zijn het voorwerp van hun liefde te zien. Of, om een nog beter beeld te gebruiken, ze lijken op mensen die steeds feller met elkaar vechten en voor wie alles wat er toevallig bij de hand is, of het nu een beker is of een bord, iets wordt maar je mee kunt gooien.’ (Verzameld werk, deel 6).

Volgens Ryrie had Erasmus gelijk: de protestanten hebben zich het afgelopen halve millennium strijders betoond, die voortdurend het conflict aangaan en onvermoeibaar hun eigen standpunten verdedigen en die van anderen aanvallen, maar tegelijkertijd zijn het ook geliefden, die een persoonlijke liefdesrelatie met God hebben, waar kerkelijke of wereldlijke autoriteiten geen inbreuk op mogen maken. ‘Juist omdat de liefde voor God protestanten zo na aan het hart ligt’, schrijft Ryrie, ‘zijn ze bereid elkaar en de rest van de wereld uit Gods naam te bestrijden’.

Maar hoe zit het nu met die moderniteit? Ryrie stelt dat de Reformatie een wereldhistorische gebeurtenis was, maar dat dit uiteraard niet betekent dat de protestanten met de eer kunnen strijken voor, of schuldig zijn aan, alles wat er daarna gebeurd is. Je kunt Luther niet simpelweg afschilderen als de profeet van het individualisme of de held van de vrije wil. ‘Luther en de protestanten die na hem kwamen probeerden de wereld niet te moderniseren, maar haar te redden’, aldus Ryrie. Wel heeft de Reformatie diepgaande invloed uitgeoefend op de manier waarop mensen nadenken over zichzelf, de samenleving en God. En die kenmerken van onze moderne wereld zijn volgens hem onmiskenbaar geworteld in het protestantisme.

Toen Luther in 1517 zijn 95 stellingen de wereld in stuurde, keerde hij zich tegen de traditie dat het de kerk is die bepaalt wat de waarheid is. Het eigen geweten, ingetoomd door Bijbel en Heilige Geest, was volgens hem van hogere orde dan de kerkelijke traditie. Hiermee propageerde hij vrij onderzoek en stond hij aan de wieg van de vrijheid van meningsuiting. Dit kenmerk is gekoppeld aan een tweede ingrediënt van de moderne samenleving: democratie. Heel lang wilden protestanten niets weten van dit begrip, maar omdat ze steeds werden geconfronteerd met heersers die volgens hen in strijd met Gods wil handelden, gaven ze mede vorm aan een politiek klimaat waarin gezag zich moest legitimeren. En als derde moderne trek van het protestantisme noemt Ryrie het recht om met rust te worden gelaten. Protestanten hechtten zeer aan hun privédomein en verafschuwden heersers die hen wilden voorschrijven hoe ze moesten denken, leven en bidden. Hierdoor droegen ze bij aan het ontstaan van het rechtsstatelijk beginsel dat politieke macht gelimiteerd is en dat heersers de vrijheid van hun onderdanen moeten respecteren.

De Antoniuskapel in de Janskerk in Utrecht, 1645, ook van Saenredam. Uit de collectie van het Centraal Museum in Utrecht. Foto Getty Images

Uiteraard vallen er bij dit verhaal de nodige kanttekeningen te plaatsen – zo kun je ook stellen dat neiging om zelfstandig onderzoek te doen al sterk opkwam tijdens de Renaissance, en dat dit juist een van de oorzaken van de Reformatie was – maar niet te ontkennen valt dat vanaf de zestiende eeuw de culturele en intellectuele ontwikkelingen die uiteindelijk leidden tot de moderne samenleving, zich vooral voltrokken in landen waar het protestantisme had gezegevierd.

Religieuze tolerantie

Ryrie maakt echter duidelijk dat de protestanten niet zonder meer in te delen waren bij het kamp van de vooruitgang. Bij alle grote ideologische disputen bevonden protestanten zich aan beide kanten van de scheidslijn. Zo speelden protestanten als John Locke en Pierre Bayle een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de idee van religieuze tolerantie, terwijl tal van anderen onverdraagzame fanatici waren. En terwijl vooral de quakers al vroeg tegen de slavernij ageerden, werd dit instituut fel verdedigd door de gereformeerde predikant Jacobus Elisa Johannes Capitein, die overigens als Afrikaan zelf slaaf was geweest, maar op negenjarige leeftijd naar de Republiek was gestuurd en later in Leiden theologie had gestudeerd.

Ook waar het om verschijnselen als imperialisme, fascisme, communisme en apartheid ging, vond men protestanten onder de voor- en tegenstanders. Een groot deel van de lutherse geestelijken in Duitsland collaboreerde met het naziregime, terwijl sommige predikanten dapper verzet pleegden. En de Ku Klux Klan was een beweging van protestanten, terwijl Martin Luther King dominee was.

Ryrie probeert niet een waterdichte definitie te geven van wat nu precies protestantisme is, maar geeft de voorkeur aan een genealogische aanpak. Voor hem zijn protestanten christenen wier religies zijn voortgekomen uit Maarten Luthers rebellie tegen de katholieke kerk: ‘Ze zijn als een boom met een wirwar van takken, maar met slechts één stam en wortelstronk.’

Het boek van Ryrie biedt een levendig en onderhoudend overzicht van deze belangrijke religieuze stroming, die altijd al heel divers was en tal van uiterst kleurrijke vertegenwoordigers kende. Wat bijvoorbeeld te denken van Abiezer Coppe, die tot de Engelse sekte van de ranters (‘schreeuwers’) behoorde, een seksueel libertinisme propageerde en leefde volgens de regel ‘houd van de vrouw van uw naaste als van uzelf’? Hiertegenover stonden weer talloze puriteinen, die extreem preuts waren.

Ryrie vertelt het allemaal met smaak, en waar de protestanten blijk geven van hun grote liefde voor God, geeft hij blijk van zijn liefde voor de protestanten. Het is dan ook jammer dat zijn boek liefdeloos en slordig is vertaald. Zo wordt het woord prince steevast vertaald als ‘prins’, terwijl het meestal ‘vorst’ moet zijn; blijkt iemand die Dutch-born is ineens een Duitser; denken de vertalers dat pluralism hetzelfde is als ‘meervoud’ en worden baptists verward met doopsgezinden. Geregeld komen er in het boek merkwaardige zinnen voor, zoals: ‘Tegenover elke persoon die zich onder indruk van of uit verstrooiing tot de leer van de quakers had bekeerd, stond een veelvoud van mensen die hen verafschuwden.’ Mensen die zich bij wijze van afleiding of ter ontspanning tot een religie bekeren? In werkelijkheid staat er: ‘Tegenover elke persoon die door de quakers werd bekeerd, geïmponeerd of geamuseerd, stonden veel meer mensen die met afschuw waren vervuld.’ Dat is toch echt iets anders.