Column

Het probleem heeft een partij gevonden

Caroline de Gruyter schrijft over politiek en Europa.

Het pessimisme is terug in Europa. De AfD, een partij aan de uiterste rechterrand van de Duitse politiek, heeft namelijk 12,6 procent van de stemmen gewonnen.

12,6 procent, dat is meer dan verwacht. En het betekent iets, zeker in Duitsland waar lang een historisch taboe heeft gerust op extreem-rechts. Zoals een Bondsdaglid op de radio zei: „Hier ligt een probleem. Dat probleem is op zoek geweest naar een partij. Uiteindelijk heeft het de AfD gevonden.” De AfD is een bont amalgaam van mensen die voorheen niet stemden (eenderde) en ontgoochelde kiezers van andere partijen, die elkaar gevonden hebben rondom een probleem. Dat probleem is dat zij zich in de democratie niet, of niet meer, vertegenwoordigd voelen. Als iets dat aan het licht heeft gebracht, is het de migratiepolitiek – of liever, het gebrek aan een coherente politiek, zowel nationaal als Europees.

Natuurlijk moet je dit serieus nemen. In Duitsland, in Nederland, Frankrijk en andere landen waar democratisch ongenoegen zich extreem-rechts uit. Het is een motie van wantrouwen. Maar 12,6 procent is geen reden voor pessimisme, en zeker niet pessimisme van het apocalyptische, nihilistische soort dat in 2016 de kop opstak na het Brexitreferendum en de verkiezing van Donald Trump.

Feit is namelijk óók dat de overige 87,4 procent van de kiezers op respectabele partijen heeft gestemd. Partijen die niet claimen dat zij, en zij alleen, „het volk” vertegenwoordigen, en dat de rest een stel linkse, onpatriottische, politiek correcte, elitaire verraders is. Nu de AfD eindelijk in de Bondsdag zit, moeten politici van de andere partijen niet verongelijkt gaan zitten klagen over ‘neofascisten’ of ‘nazi’s’, en al helemaal niet hun discours overnemen. Ze moeten precies het omgekeerde doen: de kans grijpen om in vurige, inhoudelijke, fundamentele debatten, in het forum dat daarvoor uitgevonden is – het parlement –, de democratie en de rechtsstaat en de verworvenheden van bijna zeventig jaar Europese integratie te verdedigen met alle energie die ze in hun donder hebben.

De vorige golf pessimisme verdampte afgelopen voorjaar toen extreem-rechts driemaal op rij (in Oostenrijk, Nederland en Frankrijk) het electorale deksel op de neus had gekregen. Nu is het terug. Commentatoren schrijven weer over het „eind van Europa”. Dat alles van de rails gaat lopen, zoals honderd jaar geleden, toen dat andere multinationale imperium – het Habsburgse Rijk – aan nationale egoïsmen ten prooi viel. Dat er van Emmanuel Macrons mooie plannen met Europa niks terechtkomt, omdat Macron een hopeloze dromer is en de dagen van ‘Mutti’ sowieso geteld zijn. Klaag, klaag, klaag. Wie partijen als de AfD groter wil maken, moet vooral zo doorgaan.

In een wereld die permanent verandert, moeten samenlevingen zichzelf steeds updaten: het fundament blijft, maar orde en regels moeten worden aangepast. Maar samenlevingen hebben de neiging lui en zelfgenoegzaam te worden. Soms hebben ze een schok nodig om op gang te komen. Schokken motiveren tot verandering, zetten aan tot nadenken. Dat hoeft niet perse slecht af te lopen. Kijk maar naar Frankrijk.

Amerikanen moeten alles uit de kast halen om de rechtsstaat overeind te houden. Zo’n catastrofe kunnen we in Europa makkelijk vermijden. De AfD, PVV of UKIP kaarten problemen aan, maar bieden geen oplossingen – zie de chaos rond Brexit. De overige 80-90 procent moet die problemen serieus nemen, maar zélf oplossingen bedenken en die zelfverzekerd uitdragen. Dus niet nabauwen dat grenzen dicht moeten en dat de islam problematisch is, maar het vluchtelingenverdrag verdedigen en tegelijkertijd toegeven dat het uitzetbeleid faalt, en daar wat aan doen. Zie wederom Frankrijk.

Aan de democratie moet je altijd blijven werken. Ze is nooit af. Opgeven, de schouders laten hangen, is geen optie. Nooit.