Column

Het hele leven is een ‘eigen risico’

Japke-d. Bouma schrijft wekelijks over de taal die ze om zich heen hoort. Deze week: het ‘eigen risico in de zorg’ en ‘nazomer’.

Als we érgens mee om de oren zijn geslagen deze week, dan is het wel met ‘het eigen risico’, met het ‘eigen risico in de zorg’. Er zijn in Den Haag verhitte debatten over gevoerd, over de vraag hoe hoog het eigen risico zou mogen zijn en of het al dan niet 15 euro per jaar lager zou kunnen. Of 100.

Mijn eigen krant noemt het „een potsierlijke discussie”. Want als het eigen risico verlaagd wordt, gaat de zorgpremie gewoon stijgen en de premieverhoging die via het loonstrookje loopt gaat vele tientjes meer omhoog dan dat hele eigen risico, maar het is natuurlijk vooral een potsierlijk begrip, ‘eigen risico’. Een vreemde uitdrukking.

Want in een wereld waar de poolkappen smelten, de Noord-Koreaanse kernkoppen eerder vandaag nog dan morgen worden verwacht en Jan Smit elk moment met een nieuwe single kan komen, is het eigen risico natuurlijk niet 400 euro, 300 of 385, laat staan dat het überhaupt te kwantificeren zou zijn. Ons eigen risico is levensgroot, elke dag dat je langer leeft, meer om mensen gaat geven en meer aan het leven gaat hechten wordt het groter, en elke seconde lopen we langs de rand van de afgrond.

Je kan het grootste geluk vinden, zomaar, maar ook zomaar in een rolstoel terechtkomen. Of na een hersenbloeding opgesloten raken in je lichaam. Je kan de liefde vinden, maar ook je dierbare man verliezen, je baby, je vader, je oma, je zus, je broer, je zoon of je geweldige jonge vrouw – de moeder van je kinderen, plotsklaps, van het ene moment op het andere. Dát is ‘het eigen risico’ en het wordt echt niet goedkoper als je het groter maakt, sterker nog: je eigen risico is niet te verzekeren.

De beoogde coalitie wil het eigen risico ‘bevriezen’. Dat het niet nóg groter kan worden, in ieder geval. Wat zou het mooi zijn als dát kon, dat iets ervoor kon zorgen dat het risico dat je loopt niet meer groter kon worden, we zouden er duizenden euro’s per jaar voor over hebben, maar ja, dat kan niet. Want alles ontdooit uiteindelijk weer en alles gaat weer bewegen, de rekening komt vroeg of laat, daar helpt geen ijskast tegen.

Wat ben jij somber, zei laatst iemand. Ik zou het liever melancholie willen noemen. Dat heb ik altijd in de nazomer. Nog zo’n woord dat de plank totaal misslaat: nazomer. Alsof het mooiste al geweest is en de nazomer er een beetje achteraan kachelt. Terwijl de nazomer het mooiste is van de hele zomer! De toegift, de grote finale, het dierbaarste stukje van het jaar.

Konden we de nazomer maar bevriezen. Elke dag die ik over de Utrechtse stadswal loop zou ik elk blaadje, elke grasspriet, elk stukje blauwe lucht willen fixeren en voor altijd willen bewaren. Stop de tijd.

Stop de tijd voor de kou weer komt, stop de tijd voor de natte sneeuw. Hou vol!, roep ik naar de frisgroene bomen op de singel terwijl er al gele bladeren aan hun voeten liggen, blijf!, naar de ganzen die alweer vertrekken, praat door!, tegen het vrolijke geroezemoes op de terrassen, blijf zo, zachte wind, voor het noodlot draait en ons weer weet te vinden, ik ben gelukkig nu, laat me met rust.

Optiefen, met je eigen risico.

Taaltips op Twitter via @Japked