De totale kosten? Dat is een zoekplaatje

Lijfrentes
Particulieren hebben steeds meer keuze wanneer zij besluiten te gaan lijfrentebeleggen. Waar moeten zij op letten?

Illustratie XF&M

Als u belegt, was het u misschien al opgevallen: er wordt weer enthousiast reclame gemaakt voor lijfrenterekeningen, door nieuwe partijen zoals vermogensbeheerders en brokers. Zo’n lijfrenterekening is een geblokkeerde rekening waarop je vermogen opbouwt waar je pas na je pensioen weer bij kunt. Het geld dat je erop stort, wordt tegenwoordig steevast belegd. Vroeger spaarde je op zo’n lijfrenterekening, maar dat levert met de lage rente amper meer iets op.

De inleg op de lijfrenterekening mag je als aftrekpost opvoeren, extra bonus is dat de fiscus daarover geen belasting heft (noch inkomstenbelasting noch vermogensrendementsheffing). Belasting betalen hoeft bij een lijfrenteproduct pas na je pensioen. De gedachte hierachter is dat je inkomen dan meestal lager is dan je als werkende binnenkreeg, en je dan dus minder geld kwijt bent aan de fiscus.

Dankzij een nieuwe wet, die een einde maakte aan het alleenrecht van banken en verzekeraars om lijfrenteproducten te verkopen, zijn onder andere vermogensbeheerders het afgelopen half jaar ook op deze markt gedoken.

En daardoor hebben particulieren ineens meer keus. Die nieuwkomers zijn bovendien klantvriendelijk: op de websites van Binck, DeGiro en ook Brand New Day (BND) staan heldere instructies over lijfrentebeleggen. Die uitleg is ook begrijpelijk voor mensen zonder verstand van pensioen, beleggen en fiscale regeltjes. Ook zijn de kosten lager: traditionele aanbieders rekenden al snel 1 procent, zegt Bas van Beusekom van BND – in 2010 de eerste niet-traditionele speler op de lijfrentemarkt. BND is een volledige online aanbieder, net als nu Binck en DeGiro. Bij BND liggen de kosten rond de 0,78 procent, bij Binck (sinds kort officieel BinckBank) op 0,77 procent. Maar deze percentages dekken dan weer niet alle kosten. Al met al blijft kiezen kortom ingewikkeld. We bespreken de twee grootste valkuilen voor wie wil gaan lijfrentebeleggen.

Lees meer over het wel of niet afsluiten van een lijfrente: Dág, lijfrente

Valkuil 1 Overschat de fiscale voordelen niet

Online aanbieders geven vaak prachtige rekenvoorbeelden: zoveel kapitaal kun je opbouwen met lijfrentebeleggen. Maar, instinker, bij die indrukwekkend hoge bedragen gaan aanbieders vaak uit van het maximale bedrag dat je van de fiscus per jaar mag aftrekken voor de inkomstenbelasting. Op zo’n aftrekpost van 12.000 à 14.000 euro hebben echter maar weinig mensen recht. Daarvoor moet je aan allerlei voorwaarden voldoen, zoals een ton per jaar verdienen, geen enkele collectieve pensioenvoorziening hebben of de laatste zeven jaar niets aan je pensioen hebben gedaan. De realiteit is dat het modale inkomen rond de 33.000 euro ligt en ten minste 70 procent van de mensen (ondanks een miljoen zelfstandigen) in Nederland in loondienst werkt, of dit ooit heeft gedaan.

De Geldgids van de Consumentenbond rekende uit dat iemand pas fiscaal voordeel heeft van een lijfrenterekening bij een belastbaar inkomen na zijn pensioen van meer dan 56.000 euro. „Dan verdiende hij vóór zijn pensioen bruto 80.000 à 90.000 euro, viel hij in de hoogste belastingschijf van 52 procent en kreeg hij de hoogste aftrek”, zegt Reinout van der Heijden, hoofdredacteur van de Geldgids. Maar stel, je hebt een inkomen van 33.000 euro (één keer modaal) à 67.000 euro (twee keer modaal) en na je pensioen kom je ook boven die 33.000 euro uit. Dan moet je als pensionado net als voorheen 40,8 procent belasting betalen, plus 5,4 procent premie voor de zorgverzekeringswet. Dan kun je beter zelf gaan beleggen. Open een beleggersrekening zoals bij DeGiro of BinckBank, koop een lekker breed, wereldwijd gespreid indexfonds (zoals een ETF gebaseerd op de MSCI World Index) en neem de vermogensrendementsheffing voor lief. Tot een belegd vermogen van één ton is die beperkt: 0,86 procent en onder de 25.000 euro betaal je niks.

Ik heb alle beschikbare documenten, inclusief de algemene voorwaarden gelezen, maar weet nog steeds niet precies wat de totale kosten zijn

Valkuil 2 Verkijk je niet op de kosten

Op het eerste gezicht zien de kosten van een financieel product, zo ook een lijfrenterekening, er vaak best goed uit. Dat wil zeggen: op de website van de aanbieder en in de EBI (Essentiële Beleggers Informatie). Deze compacte informatiefolder moeten aanbieders op hun website plaatsen en toezichthouder AFM controleert die.

Maar de kosten die daarin staan, zoals de lopende kosten, geven meestal geen compleet beeld. Daarvoor moet je de prospectus en soms zelfs de algemene voorwaarden of het jaarverslag doorploegen. En zelfs dan krijg je soms geen zekerheid over de kosten. Dat merkte pensioenadviseur Ewout Huyssen van Kattendijke, toen hij op verzoek van NRC de kosten onderzocht van een product van een traditionele lijfrenteaanbieder: Rabo ToekomstBeleggen.

Hij schrok ervan. „Ik heb alle beschikbare documenten, inclusief de algemene voorwaarden gelezen, maar weet nog steeds niet precies wat de totale kosten zijn. Het is een zoekplaatje.” Zo blijft de bank vaag over meerdere (mogelijke) kosten, zoals „de al erg hoge onderhoudskosten van 80 euro per jaar”. Daarover stelt de bank bovendien dat zij die „mag wijzigen”. In de algemene voorwaarden rept de bank van „andere kosten” en „spread-kosten”, maar noemt zij geen concrete bedragen, percentages of zelfs geschatte bandbreedtes, vertelt Huyssen van Kattendijke. Rabobank lijkt niet wakker geschud door de steeds grotere concurrentie. Een andere traditionele aanbieder, ABN Amro, heeft voor haar lijfrentebeleggingsproduct een sterfhuisconstructie bedacht en accepteert geen nieuwe klanten meer.

De informatievoorziening van de nieuwe aanbieders (inclusief BND) is duidelijker en uitgebreider. En toch maken ook zij het consumenten niet gemakkelijk. Een deel van de genoemde kosten is eenmalig (per aanbieder verschilt welke precies) en moet je betalen in euro’s. Andere kosten worden weergegeven als percentage van de inleg en indirect verrekend. Dat maakt het omrekenen naar één totaalbedrag of percentage ingewikkeld en een onderlinge kostenvergelijking vrijwel onmogelijk. Let daarom niet alleen op de kosten, maar ook op de kwaliteit van de beleggingsfondsen of ETF’s waar zij je geld in stoppen. Bedenk daarbij bovendien hoeveel vrijheid je wil: laat je de fondskeuze liefst over aan de aanbieder? Dat kan bijvoorbeeld bij BinckBank en BND. Wil je zelf beslissen, dan zijn onder andere DeGiro en opnieuw BND opties. Zo kun je bij de eerste kiezen uit een ‘kernselectielijst’ tegen een vast, goedkoop tarief, of betaal je meer voor andere fondsen van deze broker. BND schuift desgewenst haar eigen keuze terzijde en laat je zelf kiezen uit tien indexfondsen.