Recensie

De school die Nederland nodig had

Een melange van anekdotes, lijstjes en interviews die een portret schetst van de hbs, de ‘beste school van Nederland’, die sneuvelde tijdens de onderwijshervormingen van de jaren zeventig.

Leraar op de hbs aan de Waldeck Pyrmontkade in Den Haag, 1920. Foto uit besproken boek

‘Wij gaan een grote en blijvende weldaad aan het land bewijzen.’ Minister Johan Rudolf Thorbecke drukte zich in 1863 nogal Trumpiaans uit. Maar de geschiedenis gaf hem gelijk. De Hogere Burgerschool die hij honderdvijftig jaar geleden instelde, werd een weergaloos succes. Bij dertien latere Nobelprijswinnaars ontkiemde de belangstelling voor de exacte vakken op deze nieuwe school en bij honderdduizenden werden de fundamenten gelegd voor een carrière in de handel, de industrie en de wetenschap.

Het is alleen geen blijvende weldaad geworden. Ruim honderd jaar later, in 1968, viel het doek. Dat Hogere en die Burgers waren de school in de nivellering van de jaren zestig noodlottig geworden, ondanks het feit dat de school inmiddels met een afkorting en in onderkast werd aangeduid: hbs. De toekomst was aan het athenaeum en de havo. Alleen het gymnasium overleefde de Mammoetwet van onderwijsminister Jo Cals. Er brak een tijd aan van keuzepakketten, maatschappelijke vorming en verminderde studielast.

Sindsdien is er, naar de titel van een boekje dat de Volkskrant-journalisten Xandra van Gelder en Hans Wansink al in 1998 schreven, heimwee naar de hbs. De meest recente uitbraak van dat gevoel is het boek Wij van de hbs, door de historicus Roelof Bouwman en de journalist Henk Steenhuis. In een aantrekkelijke melange van anekdotes, lijstjes, interviews en vlotte geschiedschrijving wordt het portret geschetst van de ‘beste school van Nederland’.

Thorbecke creëerde die school omdat er in Nederland dringend behoefte was aan geschoold kader in ‘handel, nijverheid en staatsdienst’. De gymnasia leverden de juristen, artsen en andere notabelen, maar geen technici, ambtenaren en ondernemers. En die waren nodig om de aansluiting met de zich snel industrialiserende buitenwereld niet te verliezen.

Doortastendheid
Met grote doortastendheid werden de nieuwe scholen gesticht. Al in 1864 werd in Groningen de eerste Rijks Hogere Burger School geopend. Een indrukwekkend bakstenen gebouw, waarvan de complete benedenverdieping was ingericht voor het scheikundeonderwijs. De hbs’en die daarna kwamen, volgden die principes: kloeke gebouwen met ruime practica voor schei- en natuurkundeonderwijs. En, niet onbelangrijk, met een docentenkorps dat veelal uit gepromoveerde academici bestond en zeer goed werd gehonoreerd. Gepromoveerde leraren verdienden 2.400 gulden per jaar, ongeveer het dubbele van de docenten op de gymnasia. De hbs’en hadden de vakbekwame docenten voor het uitzoeken.

Het onderwijs was pittig, zeker voor huidige begrippen. Vijfendertig vakken kregen de leerlingen op die eerste Groningse hbs. Alle moderne talen, veel wis-, schei- en natuurkunde, kosmografie, statistiek, handelswetenschappen, dierkunde, ‘kruidkunde’, boekhouden, geschiedenis, aardrijkskunde, staatsinrichting, handtekenen, lijntekenen, exerceren, gymnastiek, et cetera. Dat alles in 40,5 uur. En dat waren uren van een vol uur.

De slimme jongens uit de burgerstand werden er niet door afgeschrikt. Dat waren grotendeels kinderen van gegoede burgers, het schoolgeld was zestig gulden per jaar en daar kwamen nog de kosten van boeken en andere leermiddelen bij. In 1926 zou het schoolgeld afhankelijk worden gemaakt van het belastbaar inkomen.
In 1880 waren er al 55 hbs’en, met in totaal vierduizend leerlingen. De hbs gaf aanvankelijk geen toegang tot de universiteit – dat was aan gymnasiasten voorbehouden. Pas in 1917 kregen gediplomeerde hbs’ers toegang tot de medische faculteit en de wis- en natuurkundestudie. Meteen ontpopte de hbs zich als een kweekvijver voor toekomstig toptalent. Tussen 1901 en 1913 kregen vijf Nederlanders een Nobelprijs, vier van hen hadden een hbs-diploma: Jacobus van ’t Hoff voor scheikunde en Hendrik Lorentz, Pieter Zeeman en Heike Kamerlingh Onnes voor natuurkunde. De vijfde, Johannes van der Waals, was leraar aan een hbs geweest. Daarna zouden nóg acht hbs’ers een Nobelpijs krijgen.

Meisjes zag je niet veel op die eerste hbs’en, want een meisje dat naar de hbs wilde, moest ontheffing bij de minister aanvragen. In 1906 verdween die verplichting en in 1920 bestond al een kwart van de ruim 22.000 hbs-leerlingen uit meisjes.

Hbs’ers bleken de mensen te zijn die Nederland nodig had, schrijven Bouwman en Steenhuis. Philips, Shell, KLM, Unilever, de NS, de PTT en Rijkswaterstaat profiteerden van hun kennis en stuwden Nederland voor en na Tweede Wereldoorlog langzaam omhoog.

Dat werd allemaal anders in de jaren zestig, toen burgerlijkheid, competitie en winst werden ontmaskerd als verderfelijke principes. Voeg dat bij een overheid die plannen had met de samenleving en het is niet verbazingwekkend dat het mes werd gezet in het onderwijs. De Mammoetwet bracht de brugklas en het athenaeum en deponeerde de hbs op de schroothoop van de geschiedenis.

Heimwee
Is dat een vergissing geweest? Is het heimwee naar de hbs terecht? Bouwman en Steenhuis wijzen erop dat de bovenbouw van het nieuwe athenaeum zes examenvakken kende, waar dat er op de hbs-b nog zestien waren geweest. Keuzevakken als Frans, Duits en geschiedenis waren veelal de kinderen van de rekening. Funest voor een exportland met een open economie, vinden de auteurs, en goed voor breed ‘historisch onbenul’.

Dat is natuurlijk niet allemaal de schuld van het opheffen van de hbs, ook het curriculum van het gymnasium werd uitgekleed. En, zou je er aan kunnen toevoegen, jonge Nederlanders spreken tegenwoordig heel goed Engels, en daarmee kunnen ze zich aardig redden in de open economie.

Toch zet de terugblik van Bouwman en Steenhuis aan het denken. Scholen waar je alle moderne talen leert, aardrijkskunde, geschiedenis, een flinke portie exacte vakken, met leraren die allemaal op de universiteit hebben gezeten – waar vind je die nog?

Die zijn er niet meer. Maar eerlijk gezegd geldt dat ook voor het type leerling waar dat soort scholen het van moet hebben. Leerlingen als de jonge Maarten ’t Hart. Die het een ‘ongelooflijke weldaad’ vindt dat hij in 1957 naar de hbs kon gaan, ondanks de weerstand daartegen in het arbeidersmilieu waaruit hij voortkwam. ‘Ik heb er altijd naar gestreefd de beste van de klas te zijn’, zegt hij in een interview in het boek. ‘Het waren de beste jaren van mijn leven. Zonder die school was er niets van mij terechtgekomen.’

Die leerlingen zag je steeds minder. Er kwam een nieuw type, met een andere instelling en een ander wereldbeeld. Zoals Jan Mulder. Hij ging in 1958 naar de hbs, en op de vraag wat hij daar geleerd heeft, antwoordt hij: ‘Niets, zelfs niet hoe je een bh moet openkrijgen. Maar dat lag ook aan mij.’

De beste school was niet voor iedereen een weldaad.