Column

De ‘Goede’ Imperialist

In 1914 verzamelde mijnheer Jurriaanse uit Rotterdam ruim 36.000 handtekeningen onder een petitie aan de Nederlandse regering om de jacht op paradijsvogels en de uitvoer van hun veren uit Nederlands-Indië te verbieden. Hij had er vast nog meer opgehaald als de Eerste Wereldoorlog niet was uitgebroken en de aandacht afleidde. Eind 19e eeuw was er een actieve en mondige beweging ontstaan die zich inzette voor behoud van milieu en natuur, en die probeerde te voorkomen dat inheemse en exotische dieren met uitsterven werden bedreigd. Met de Dodo in het achterhoofd zetten activisten zoals Jurriaanse, maar ook gevestigde internationale verenigingen en de KNAW zich ervoor in dat de Nederlandse regering haar verantwoordelijkheid nam. Aan het onstilbare verlangen naar ‘pluimage’ vanuit dmodehuizen – de hoofdoorzaak van de vogelmoord – moest maar eens een einde worden gemaakt. De japonnen en hoeden van de dames konden ook met minder kleurrijke veren toe.

De negentiende eeuw was de eeuw van imperialisme. Maar het was ook en juist daarom de periode waarin een wereldwijd besef van door mensen veroorzaakte schade aan klimaat, natuur en dierenrijk ontstond. Niet alleen in Indonesië, ook in de Britse Commonwealth groeide dat besef, uiteraard ook in reactie op de exploitatie en uitbuiting van de natuur door koloniale heersers zelf! Britse ingenieurs hielpen in de Europese Donaucommissie de waterhuishouding van die rivier te beveiligen, voor schepen, maar ook met oog op de zuiverheid van het water en de oevergebieden. In het Ottomaanse Rijk protesteerden bestuurders vanuit Istanboel tegen de ongebreidelde houtkap in de bossen rond de Donau door Bosnische houtzagerijen. En Nederlanders legden uitstekende bevloeiingswerken aan op Java. Natuurlijk uit ‘imperialistisch’ eigenbelang, – die infrastructuur ondersteunde de koloniale uitbating – maar hiermee schiepen ze ook een materiële basis voor een onafhankelijk Indonesië. Soms namen wereldrijken wel degelijk hun verantwoordelijkheid voor kwetsbare groepen en tere ecologie de marges van in hun gebieden – al dan niet aangespoord door activisten en maatschappelijke verenigingen.

Betekent dat nu dat de geschiedenis van de lange, imperialistische negentiende eeuw moet worden herschreven? Met een aantal onderzoekers (aan wie ik bovenstaande voorbeelden ontleen, dank Joep Schenk, Constantin Ardeleanu, Peter Hough, Selcuk Dursun) had ik het daarover tijdens een symposium waarin we de diepe wortels van de huidige internationale orde bespraken. Veel van de ideeën en structuren van die orde zijn immers in de 19e eeuw voor het eerst, mede door de opkomst van het ‘moderne imperialisme’ globaal verspreid.

De discussie verliep stroef. Want onder de streep hield zelfs de ‘beste’ imperialist nog aardig wat uitbuiting en uitroeiing over. De aanleg van spoorwegen en de bescherming van wat diersoorten weegt niet op tegen de uitroeiing van de Herero of de expedities in Atjeh, om maar iets te noemen. En geen historicus wilde in verband worden gebracht met Bruce Gilley die zich laatst gedwongen zag zijn omstreden artikel, The case for colonialism, terug te trekken.

Maar hoe zit het dan met de meer ‘sympathieke’ onderdelen van het imperialisme, mogen die worden benoemd? Volgens mijn Japanse collega Shogo Suzuki is het tamelijk irrelevant wat wij er wel of niet van vinden. Het gaat erom wie aan die discussie mag meedoen, en wie er zendtijd krijgt om te stellen wat ‘goed’ was en wat niet. Volgens hem zijn daarbij eerst de eigen historici aan zet, het liefst historici uit de voormalige koloniale gebieden zelf. En niet hun westerse collega’s.

En die niet-Europese onderzoekers kwamen met interessante opvattingen. Ze waren van mening dat je niet zo maar alle aspecten van de imperiale geschiedenis, de ‘kwaadaardige’ én de ‘goede’, bij de vuilnishopen van de geschiedenis kunt zetten. Er waren wel degelijk ook motieven van ‘verheffing’, ‘beschaving’ en ‘modernisering’ op het blazoen van het 19e eeuwse imperialisme aan te treffen, hoe discriminatoir en raciaal gekleurd ook. Volgens Suzuki gebruikten de Japanners westerse opvattingen over ‘beschaving’ om een sterkere nationale identiteit te ontwikkelen; en volgens Seo-Hyun Park nam Korea dankbaar Franse en Duitse modellen voor een moderne politie over. Conclusies die zij makkelijker kunnen trekken dan hun Europese collega’s.

Fast forward naar de 21e eeuw. De geest van imperialisme is nog steeds springlevend. De grote rijken die in 1815, 1919 en 1945 de dienst uitmaakten en de internationale orde bepaalden, doen dat nog steeds. Kijk maar naar de zetels in de Veiligheidsraad of de G20.

In plaats van net te doen alsof het imperialisme niet meer bestaat, is het misschien wel veel interessanter om te vragen naar de hedendaagse ‘goede’ imperialisten – en daarbij ook de niet-westerse mening te betrekken. We kunnen wijzen naar Poetin, die in Rusland het overleven van ijsberen in Siberië tot zijn persoonlijke prioriteit heeft gemaakt. Maar doet hij iets tegen houtkap of milieuvervuiling door de grootschalige olie- en gasboringen? En Trump met zijn Make America Great Again-campagne, waar zit daarvan noblesse oblige, de mission civilisatrice die het 19e-eeuwe imperialisme tenminste deels nog kenmerkte? Wat hebben Koreanen aan die ronkende taal?

In plaats van onhaalbare mensenrechtenidealen als ijkpunt te blijven nemen, zou je de hedendaagse rijken met hun extreme nationalisme eens moeten leggen langs de meetlat van het ‘ethische’ imperialisme van de 19e eeuw. En dan weet ik niet zeker of we nu nog veel ‘goede imperialisten’ aantreffen. Misschien zien de Afrikanen liever de Chinezen met hun investeringen in energietransitie komen dan westerse landen.

Beatrice de Graaf is hoogleraar Geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht