Recensie

De doodlopende paden van de parapsychologie

Het is 1920 als zich het volgende experiment voltrekt. De wis- en natuurkundestudent Abraham Sally van Dam, die van mening is dat hij over telepathische vermogens beschikt, zit geblinddoekt in een kast waar hij alleen zijn handen uit kan steken. Onder zijn vingers bevindt zich een schema met 48 genummerde en geletterde vakjes. Een verdieping hoger trekt een proefleider telkens willekeurig een kaartje met daarop een letter-cijfercombinatie. Vervolgens moet Van Dam op het schema het vakje aanwijzen dat correspondeert met de voor hem onbekende letter-cijfercombinatie.

In 40 procent van de gevallen mikt hij goed, overduidelijk beter dan te verwachten is op basis van het toeval. Wanneer Van Dam onder invloed is van bromide of van alcohol, stijgt het percentage correcte aanwijzingen zelfs tot respectievelijk 46 en 76 procent. Volgens de onderzoekers was het duidelijk: het ging om gedachtenoverdracht, of telepathie, een fenomeen waarvan het bestaan ‘door deze proeven buiten alle redelijken twijfel wordt gesteld’.

Dit experiment komt voor in het onlangs verschenen Wetenschap van gene zijde. Geschiedenis van de Nederlandse parapsychologie, geschreven door wetenschapshistoricus Ingrid Kloosterman, die er begin 2017 op promoveerde. Het is een kleurrijk relaas dat in het fin de siècle begint, een tijd waarin mediums grote populariteit genoten met spiritistische seances waarin zij contact maakten met de geesten van overledenen. Via onderzoek naar magnetisme, aardstralen, helderziendheid en psychokinese belanden we uiteindelijk bij kwantummechanische verklaringen voor telepathie.

Kloosterman richt zich vooral op de verwevenheid van parapsychologie met de reguliere psychologie, een vakgebied dat eveneens aan het einde van de negentiende eeuw vorm kreeg. Zeker in de beginjaren was de overlap groot. Zo was Gerard Heymans – door historici beschouwd als de grondlegger van de Nederlandse psychologie – een groot voorstander van onderzoek naar bovennatuurlijke fenomenen.

Ook op methodologisch vlak vond kruisbestuiving plaats. De elektro-encefalografie (eeg), een techniek waarmee hersenactiviteit gemeten kan worden, kwam bijvoorbeeld voort uit onderzoek van de Duitse psychiater Hans Berger naar telepathie. Na jaren van scepsis werd de techniek door de reguliere psychologie omarmd. En ook in andere methodologische opzichten bleek de psychologie van haar paranormale zusje te kunnen leren.

Maar de verhouding was uiteindelijk toch vooral problematisch. Terwijl de psychologie uitgroeide tot een algemeen geaccepteerde wetenschap, bleef de parapsychologie op grote weerzin stuiten in academische kringen.

Psycholoog Johannes Linschoten stelde al in 1959 pijnlijk helder: ‘Ofwel de parapsychologische verschijnselen zijn te onderzoeken, en dat impliceert een wetmatigheid, impliceert dat zij geen occulte verschijnselen zijn; ofwel het zijn occulte verschijnselen die zich aan wetmatigheid onttrekken, en dan vormen zij geen object van wetenschappelijk onderzoek. In het laatste geval is er geen parapsychologische wetenschap, in het eerste geval is zij geen zelfstandige wetenschap, maar onderdeel van de psychologie.’

Toch heeft de parapsychologie het nadien nog vele decennia volgehouden in het universitaire milieu – tot voor kort – met onder meer een bijzondere leerstoel aan de Universiteit Utrecht. De academische perikelen rondom het al of niet instellen van dergelijke leerstoelen neemt een fors gedeelte van Wetenschap van gene zijde in beslag, en dat maakt het boek bij vlagen behoorlijk taai.

Daartegenover staan de smakelijke beschrijvingen van allerhande markante figuren die zich in de loop der tijd met de parapsychologie hebben ingelaten. Een hoofdrol is weggelegd voor Wilhelm Tenhaeff (1894-1981), de eerste hoogleraar parapsychologie, die vele jaren lang een invloedrijke maar ook omstreden figuur zou blijken te zijn (een buitenlandse collega beklaagde zich over zijn ‘brooding, explosive personality’).

In Wetenschap van gene zijde vind je niet de succesverhalen, maar juist de dwaalwegen en de doodlopende paden waar je zo zelden over hoort. Dat geeft aan het boek een aangenaam tragische kwaliteit.