Recensie

Als niets je meer kan choqueren

Christian Oster

Deze Franse auteur, verwant aan de nouveaux romanciers, stuurt zijn lezers graag het bos in. Mijn grote appartement is een briljant, absurdistisch en hilarisch portret van een solitair mens.

Eenzaamheid is een ‘veelkoppig en grillig monster’, stond onlangs in de Volkskrant. Farmaceuten zijn hard op zoek naar ‘stoffen die ingrijpen op de beleving van isolement’.

Wie wil weten hoe veelkoppig en grillig dat monster is, leze het door Kiki Coumans en Katrien Vandenberghe voorbeeldig vertaalde Mijn grote appartement van Christian Oster. Zijn thematiek is tijdloos, absurdistisch en hakt erin. Hier geen bloemrijk taalgebruik, familiegeschiedenissen of psychologische analyse.

Niet voor niets wordt Oster (1949) in Frankrijk uitgegeven door Minuit. Hij is verwant aan de nouveaux romanciers, die weinig ophadden met intriges, met eenheid van tijd, plaats en handeling. Vernieuwing, experiment! – dat was hun leus.

Nieuwe vertegenwoordigers van deze stroming, zoals Christian Oster, Jean Echenoz, Jean-Philippe Toussaint en Julia Deck zijn weliswaar minder extreem, maar ook zij sturen hun lezers graag het bos in. En wij moeten dan maar uit dat labyrint zien te komen. Het is als in de digitale wereld, je vindt sporen van iemand, blogs, tweets, blurbs, foto’s in de cloud – maar je blijft je afvragen wat die nu eigenlijk écht zeggen.

Want wat te denken van een man die zegt samen te vallen met zijn tas, die ‘zonder zijn tas niets is’, die in zijn grote appartement een vrouw laat wonen van wie hij zegt te houden, maar ook weet dat dat een wensdroom is? ‘Het ergste verwachten [...], dat was zo’n beetje mijn visie op het leven.’ De man verliest zijn sleutels en kan zijn woning niet meer in. Geen probleem, hij verkeert graag ‘in de geborgenheid van het lijden’.

Een oude vlam neemt contact met hem op, ze spreken af in het zwembad. Daar valt hij als een blok voor een onbekende, zwangere vrouw. In haar blik ziet hij een belofte, hij denkt aan zijn appartement en aan de vrije kamer waar hij graag zijn dochter zou laten slapen. Nog voordat ze weer buiten zijn, beschouwt hij de zwangere vrouw ‘stilaan als de zijne’. Hij vergezelt haar naar de Corrèze, waar haar broer woont, assisteert haar bij de bevalling en knipt de navelstreng door. Intussen vraagt hij zich angstig af of zíj ook van hém houdt. Onzeker als hij is, interpreteert hij iedere blik. ‘Eigenlijk is er niets wat me choqueert, dacht ik bij mezelf. Maar alles kwetst me.’ Zo voert Oster ons stap voor stap mee, het hoofd in van een zoekend personage – wat leidt tot een briljant, absurdistisch en hilarisch portret van een solitair mens.

De broer van de zojuist bevallen vrouw is een man met ‘angst voor leegte. Vooral in gesprekken.’ Hij woont in een bos en exploiteert een ondergrondse grot, waar hij toeristen rondleidt. Al snel is het de verteller die de toeristen uitleg geeft over het ondergrondse labyrint. ‘Ik droeg geen leegte meer met me mee, ik liep erin rond. Ik ga vooruit, dacht ik bij mezelf.’ Hij pakt de sleutels van de deur die toegang geeft tot de grot en gaat hen voor, de diepte in.

Christian Oster schrijft romans, thrillers en jeugdboeken, waarin reuzen, wolven, prinsen en prinsessen, konijnen en schildpadden voorkomen. Veel monsters ook. Hopelijk duurt het nog even voordat de farmaceuten een afdoend middel vinden tegen dat grillige monster van eenzaamheid, dat zich voedt met angst en verbeelding.