Interview

Academisch breien doe je zo

Breiwerk wordt steeds meer breinwerk. Rita Huijink en Loret Karman breien op hoog niveau. „Vroeger breide je vier lappen die je aan elkaar naaide en dan was het een trui.”

Loret Karman (links) laat Rita Huijink zien hoe je met garen met kleurverloop motieven kunt breien. ‘Planned pooling’ heet die techniek. Foto Roger Cremers

Rita Huijink laat een foto van een eeuwenoud wantje zien met een geborduurde manchet. Het is gemaakt met een houten stopnaald, een techniek die vele eeuwen ouder is dan breien. Huijink zag het wantje vorige week in het Nordiska Museet, het museum voor culturele geschiedenis in Stockholm, en is stellig van plan het na te naaldbinden. Misschien komt het nog wel terug in een van haar workshops.

Rita Huijink (52) en Loret Karman (59) zitten aan tafel met dikke mappen vol patronen, teltekeningen, proeflapjes en garenwikkels. Je zou het niet vermoeden, maar in dit buurthuis in de Amsterdamse buurt de Pijp zal zondag 1 oktober op het hoogste niveau in breien worden onderwezen. Zo zijn er workshops historisch breiwerk, waarbij de gladde pruimentoer aan bod komt, en lessen wol verven met kleurverloop. Geen mega-event, eerder een studiedag voor wat welhaast een geheim genootschap lijkt. Er schijnt zelfs een Belgisch busje breiers te komen.

Huijink en Karman organiseren het ‘Amsterdams breifestival’. Samen zijn zij de initiatiefnemers van De Amsterdamse Steek, waarmee zij de kennis over het ambacht proberen te behouden en te verdiepen. Je zou het ook de Brei Universiteit kunnen noemen.

Ze hebben het tij mee. In de jaren tachtig, zegt Karman, „kon je beter uit de kast komen met een zwarte band judo dan met een breiwerkje”. Maar de breigemeenschap is nog nooit zo bloeiend geweest. En sinds tien jaar geleden Ravelry de lucht inging, een soort Facebook voor handwerkers, is de breiwereld één grote sprei geworden. „Je kunt dat wel een revolutie noemen”, zegt Karman. „Van Zuid-Korea tot Canada worden technieken en uitvindingen gedeeld.” Het heeft ook de breitaal veranderd. Een Ariadne-patroon uit de jaren tachtig is onleesbaar geworden voor de moderne breier, iedereen spreekt hetzelfde brei-Esperanto.

Volendamse dasjes

In die wereldwijde community nemen Huijink en Karman hun eigen niche in. Huijink als historicus en Karman als kleur- en verfdeskundige. En als hun specialismen samenkomen, kan kunst ontstaan. Zoals ook de Belgische ontwerper Walter Van Beirendonck zag, toen hij hun vroeg of ze Volendamse dasjes voor zijn show wilden maken. Hoe je zo’n dasje breit, was nooit vastgelegd. Huijink en Karman gingen op les bij de laatste Volendamse vrouw die het nog kan. Het bleek een soort weven te zijn, op een lange plank met spijkertjes. Een monnikenwerkje waar je eigenlijk – zo ging dat vroeger ook – vele kleine kindervingertje voor nodig hebt. Geen wonder dat niemand het nog doet.

Rita Huijink en Loret Karman gingen voor ontwerper Walter Van Beirendonck op zoek naar de laatste Volendamse die nog op traditionele wijze Volendamse dasjes kan maken. Huijink schreef de weefpatronen, Karman verfde de garens. In januari waren ze in Parijs op de catwalk te zien.
Proeflapjes voor de Volendamse dasjes van ontwerper Walter Van Beirendonck.
Foto’s Roger Cremers

Huijink destilleerde uit haar foto’s een patroon en waar Karman dan goed in is: die verfde de garens in precies die kleuren die Van Beirendonck voor ogen had. In januari zagen ze hun dasjes langskomen tijdens de modeweek in Parijs. Karman vond het „spec-ta-cu-lair”. Huijink vond het – laten we het voorzichtig zeggen – enigszins verwarrend om dat cultureel erfgoed in zo’n avant-gardistische context te zien. Maar het dasje is inmiddels wel museaal geworden: het ligt in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen en is in Rotterdam in de tentoonstelling Powermasks van het Wereldmuseum opgenomen.

Lelijk breien

Het knettert wel vaker tussen Karman de kunstzinnige en Huijink de historicus, voor wie, zoals Karman zegt: „iets pas telt als er drie bronnen zijn”. Zo breide Karman een veelkleurig broekpak voor de jonge ontwerper Maaike Fransen, die daarin ook onregelmatig, slordig breiwerk wilde. „Dat vertikt Rita dan, die vind dat te lelijk.”

Loret Karman breide een oversized jurk voor Maaike Fransen, te zien in een korte film van Femke Huurdeman: ‘Pippin and the persuits of life’.

Toch vinden ze elkaar telkens weer in het studieuze. Karman stelde in opdracht van het Van Gogh Museum negen garenwikkels samen met verschillende kleurcombinaties. Dat deed ze door een doosje met zeventien gemengde bolletjes uit het atelier van de schilder uit te pluizen. Huijink legt voor het Fries Museum met een groepje breifanaten patronen vast in lappen en rollen, zoals dat vroeger werd gedaan.

Als ze in de archieven zeventiende-eeuwse documenten opduikelt van het Leidse kousenmakersgilde, die alleen zij kan lezen, omdat ze én dat oude schrift kent én alles van breien weet, stuitert Karman net zo enthousiast mee. Huijink ontdekte – „een primeur!” – dat ieder gildelid zijn eigen merkteken in zijn kousen breide en Karman roept dan: „Wat een schat! We zouden dat met haute couture-kousen moeten doen!”

Huijink is de nuchtere van de twee, waarmee ze een exponent is van de breicultuur, waarin ‘praktisch’ en ‘functioneel’ van oudsher altijd voorop stonden. Ze zou er een boek over kunnen schrijven. Wie heeft er ooit bij stilgestaan dat de aan het thuisfront gebreide sokken in de Eerste Wereldoorlog van levensbelang waren, omdat soldaten met droge wollen sokken geen ‘loopgravenvoeten’ kregen? „Breien is altijd onderdeel geweest van het dagelijks leven. Het was zó gewoon dat mensen er simpelweg niet aan dachten om patronen en technieken vast te leggen. In weeshuizen in de negentiende eeuw werd ontzettend veel gebreid, maar ik heb nog geen patroon kunnen vinden.”

Duizend euro

Vroeger breide je om je gezin warm te houden, nu is breien een luxe. Reken maar uit wat een zelfgebreide trui kost: 120 euro wol, weken breien. Als je daar het minimumloon voor zou betalen, kost zo’n trui duizend euro. Huijink draagt een vest dat alles vertelt over het hedendaagse breien. Het is een patroon van de jonge Schotse Ysolda Teague, die heel innovatief met wiskundige formules patronen ontwerpt. Zo nauwkeurig, dat je je maat in steken kunt uitdrukken. Het taupekleurige vest zonder mouwnaden is gebreid van wol van het Bluefaced Leicester-schaap, dat met zijn lange vezels mooi glad breisel geeft. Huijink heeft er 80 uur over gedaan.

Breien op dit niveau is niet voor iedereen weggelegd. Dat is te zien als ‘ervaren’ breiers zich melden voor de workshops ‘haute couture breien’ van de Amsterdamse Steek. „Vroeger breide je vier lappen die je aan elkaar naaide en dan was het een trui. Als je geluk had, paste die”, zegt Karman. Tegenwoordig brei je een trui met rondbreinaalden, van boven naar onder, in z’n geheel, zodat je steeds tussendoor kunt passen. Je moet de internationale breitaal kennen, teltekeningen kunnen lezen en meerdere manieren van opzetten kennen. „Dat je in de jaren tachtig goed kon breien, betekent niet automatisch dat je nu nog kan meekomen.” Breien is breinwerk geworden.

Voor het Amsterdams Breifestival zijn nog enkele plaatsen beschikbaar. Zie: deamsterdamsesteek.nl