Tsunami spoelt Japanse dieren naar VS

Exoten

Op de Amerikaanse kusten arriveren nog steeds veel levende Japanse dieren. De tsunami in 2011 spoelde hen de Grote Oceaan in.

Zeeslakken die meereisden met een Japans scheepswrak. Dat spoelde in april 2015 aan op de kust van de Amerikaanse staat Oregon. Foto John W. Chapman

De tsunami die begin 2011 de oostkust van Japan trof, ijlt nog altijd na. Niet alleen vanwege de schade aan Japanse steden, dorpen en de kerncentrale van Fukushima. Ook in andere landen rond de Grote Oceaan. De vloedgolf liet honderden diersoorten uitwaaieren over de Stille Oceaan. Amerikaanse onderzoekers zien dat er sinds 2012 voortdurend dieren van Japanse soorten levend in Noord-Amerika stranden, van Alaska en Californië, en ook op Hawaii. Ze liften vooral mee met door mensen gemaakte spullen. Een publicatie over het onderzoek staat vrijdag in Science.

De tsunami ontstond door een hevige aardbeving diep onder de zeebodem, zo’n 70 km van de oostkust van Japan. De beving, met een kracht van ruim 9 op de schaal van Richter, veroorzaakte golven van 40 meter hoog. Het water kwam meer dan 10 km landinwaarts. Op zijn terugweg sleurde het miljoenen voorwerpen mee in zee, schrijven de Amerikanen in Science. Veel plastic, maar ook boeien, visnetten, bootjes en hele scheepsdokken. Die dreven mee met de oostwaartse Pacifische Oceaanstroming – met aan boord een veelheid aan verstekelingen, van mosdiertjes, oesters en zeepokken tot kwallen, kreeften en vissen.

In 2012 spoelden de eerste Japanse verstekelingen aan op het Amerikaanse vasteland. Sindsdien verzamelden de onderzoekers 634 objecten waarvan ze zeker wisten dat ze uit Japan afkomstig waren. In en op die voorwerpen vonden ze levende dieren van 289 soorten die van nature niet aan de Amerikaanse kant van de oceaan voorkomen.

Het ging vooral om ongewervelden zoals schelpdieren, kwallen, wormen en schaaldieren (zoals kreeften, krabben en garnalen). Er zaten ook levende vissen in bootjes en boeien.

Ook in 2017 spoelt er nog van alles aan: dieren die dus al ruim zes jaar dobberend in leven zijn gebleven, of onderweg zijn geboren. Bootjes en andere grote objecten spoelen in 2017 nog altijd aan met zo’n vijf tot tien verschillende soorten aan boord, net als in 2012. Maar omdat de hoeveelheid bootjes afneemt, komen er toch geleidelijk minder nieuwe soorten aan land. De Amerikanen berekenden dat al minstens 300 tot 400 soorten moeten zijn aangespoeld.

Meeliften op drijvende voorwerpen doen dieren al zolang ze bestaan. Het principe speelt een belangrijke rol in de verspreiding van soorten over de aarde. Maar natuurlijke voorwerpen, zoals boomstammen, veen-eilandjes en grote zaden „hebben op zee een veel kortere halfwaardetijd dan piepschuim, pvc en fiberglas”, schrijven de Amerikanen. Zelfs boomstammen houden het maar twee tot drie jaar uit vanwege het vraatwerk van paalwormen. Daarom was er vóór 2012 nooit enige melding gemaakt van levende Japanse verstekelingen in Noord-Amerika, schrijven de onderzoekers, „ondanks meer dan 150 jaar wetenschappelijke kustobservatie”.

De kans is groot dat verstekelingen in door mensen gemaakte objecten zich ooit ergens permanent als exoot zullen vestigen, denken ze. Tot nu toe is het nog niet waargenomen, maar dat is volgens hen slechts een kwestie van tijd. Want niet alleen door tsunami’s komt er afval in zee terecht.