Proactieve politie werkt averechts

Onderzoek in new york

Toen de New Yorkse politie even stopte met proactief optreden nam de zware criminaliteit juist af, blijkt uit Amerikaans onderzoek.

Twee agenten in New York. Foto ANP

De Amerikaanse politie zweert al jaren bij zogenoemd ‘proactief optreden’. Als agenten zichtbaar zijn op straat, intensief patrouilleren, regelmatig mensen staande houden, ondervragen en fouilleren en ook plegers van kleinere vergrijpen oppakken, zo is de heersende opvatting, dan schrikt dit zwaardere criminaliteit af. Twee Amerikaanse onderzoekers laten nu aan de hand van een experiment zien dat dit optreden een averechts effect heeft. Het werkt zware criminaliteit juist in de hand, schrijven zij deze week in Nature Human Behaviour.

Een kans om het verband tussen proactief politiewerk en criminaliteit in de praktijk te onderzoeken deed zich eind 2014 voor in New York. Op 4 december werden politieagenten die een half jaar eerder betrokken waren bij de aanhouding en wurgdood van Eric Garner, een Afro-Amerikaanse man, ontslagen van rechtsvervolging. Twee weken later werden twee andere agenten van hetzelfde korps in hun patrouillewagen doodgeschoten door een man die naar eigen zeggen wraak wilde nemen voor de dood van Garner. De Amerikaanse politie mag niet staken en ging over tot een stiptheidsactie, die neerkwam op een zeven weken durende opschorting van proactief optreden. Agenten reageerden alleen op meldingen en kwamen bij kleinere vergrijpen hun auto’s niet uit.

Misdaadstatistieken

De onderzoekers Christopher Sullivan (Louisiana State University) en Zachary O’Keeffe (University of Michigan) grepen de actie aan voor een ‘natuurlijk experiment’. Om het effect voor de criminaliteit in de stad vast te kunnen stellen vroegen – en kregen – de onderzoekers inzage in de wekelijkse misdaadstatistieken per district van de politie van New York (NYPD) voor de jaren 2013 tot 2016.

De onderzoekers bekeken eerst het optreden van agenten tijdens de stiptheidsactie. Handelingen die ver achterbleven bij de praktijk van voorgaande jaren waren staande houden, ondervragen en fouilleren. Ook arrestaties voor kleine vergrijpen, zoals drugsbezit, liepen sterk terug.

Vervolgens keken Sullivan en O’Keeffe naar de effecten van de actie op met name de zware misdaad. Als maat voor zware criminaliteit gebruikten ze aangiften van misdrijven die de NYPD beschouwt als ‘major crime’: moord, verkrachting, beroving, zware mishandeling, inbraak en autodiefstal. In strijd met elke verwachting nam die tijdens de actie niet toe, maar liep die met 3 tot 6 procent terug.

De onderzoekers worstelden met de interpretatie van deze daling. Mogelijk, dachten ze, ontging de agenten meer door hun passieve houding. Misschien – dat was eerder gebeurd – waren burgers terughoudend met bellen van alarmnummer 911 gezien het recente politiegeweld. En toch: na correctie voor deze factoren bleef er een robuuste daling over met zo’n 2.100 zware misdrijven in zeven weken. Enkele maanden na de actie waren de cijfers weer als vanouds.

Legitimiteit politie

De onderzoekers concluderen uit het experiment dat proactief optreden criminaliteit eerder in de hand werkt dan voorkomt. Zij spreken het vermoeden uit dat zulk optreden het vertrouwen in de politie ondermijnt.

Siegwart Lindenberg, hoogleraar sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, doet onderzoek naar normoverschrijdend gedrag. Hij noemt de studie van Sullivan en O’Keeffe belangrijk. „Vooral gezien het beschreven effect van de onderbreking in proactief optreden. Dat zulk optreden mensen stoort en dat zij zich dan tegen de politie keren, klopt. Wij weten van ons onderzoek in Groningen dat als mensen voortdurend met politie te maken krijgen, ook voor kleine dingen, dit de legitimiteit van de politie vermindert. De orde die politie op die manier schept, is geen teken van respect voor normen, maar van angst voor de politie.”

Wel vindt Lindenberg dat het Amerikaanse onderzoek onvoldoende licht werpt op het mechanisme waardoor tijdens de ‘pauze’ juist de zwaardere misdaad is afgenomen. „De onderzoekers gingen af op gemelde misdrijven”, zegt Lindenberg. „Waarschijnlijk is er tijdens de pauze een verschuiving opgetreden in soorten criminaliteit. Van één waar mensen wel over bellen naar één waar ze niet over bellen. Stel je een wijk voor waar vrij veel geld wordt verdiend in het criminele circuit met handel in verboden goederen en diensten. Dit is criminaliteit die mensen niet melden, want ze worden niet beroofd en er wordt niet bij hen ingebroken. Door proactief politieoptreden speelt zich minder af op straat. Dan komen er meer inbraken en berovingen, en daar bellen mensen wel over. Als er vervolgens een pauze valt in het politieoptreden ebt de misdaad terug naar de straat.”