Recensie

Is geëngageerd theater niet vooral iets van vroeger?

Theater

Cabaretiers, zangers en opiniemakers als Jenny Arean, Paul de Munnik, Désanne van Brederode onderzoeken in ‘Want er komen andere tijden’ de houdbaarheid van geëngageerd entertainment in deze tijd.

Paul de Munnik en Flip Noorman tijdens de voorstelling Want er komen andere tijden. Foto Bibi Berghout

‘Er komen andere tijden”, zong Boudewijn de Groot in 1965. Het is één van de bekendste Nederlandse protestsongs, maar vaak wordt het niet meer gezongen. Maar woensdag in De Kleine Komedie klonk het opeens en Jacques Klöters hief zelfs zijn vuist op toen het zijn beurt was om de refreinregel te zingen.

Een bont ensemble van cabaretiers, zangers en opiniemakers, onder wie Jenny Arean, Paul de Munnik, Désanne van Brederode en Roos Blufpand, onderzoekt in Want er komen andere tijden de houdbaarheid van geëngageerd entertainment in deze tijd. In die voorstelling, geproduceerd door De Kleine Komedie, duiken ze in de geschiedenis en zingen ze ook nieuwe protestliederen.

Zijn engagement en protest nog wel van deze tijd of is het meer iets van vroeger, van de linkse jaren 60 en 70? Daarover wordt al jaren gediscussieerd. Deze zomer nog schreef oud-cabaretcriticus Ruud Gortzak een opinieartikel voor NRC waarin hij betoogde dat het cabaret oppervlakkig entertainment is geworden. Het leverde een stroom aan boze twitterreacties op, vooral van cabaretiers en critici. Niet zo gek, want cabaretiers en zangers zoeken nog steeds naar manieren om zich met de wereld te engageren.

Lees ook het opiniestuk van Ruud Gortzak: Het Nederlandse cabaret is alleen nog maar comedy

Dat was woensdagavond mooi te zien. Er kwam een verrassende variëteit aan oude en nieuwe protestliederen voorbij. Zo zong Jenny Arean haar klassieker ‘Iemand moet het doen’, zong Theo Nijland een ironisch lied over de noodzaak van een nieuwe oorlog, kwam Roos Blufpland met een mooie uitvoering van Bob Dylans ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’ en gaf cabaretier en amusementshistoricus Jacques Klöters een mini-college over de Duitse protestzanger Wolf Biermann. „Als je je niet in het gevaar begeeft, kom je erin om”, schijnt hij ooit gezegd te hebben.

En toch heeft de voorstelling als geheel iets onbevredigends. Dat komt niet alleen door een paar rare missers, zoals een tenenkrommend lied over vluchtelingen van Nathalie Baartman en een vreemde videobijdrage van Derk Sauer, waarin hij linkse mensen ervan beschuldigt oorlogszuchtig te zijn. Het komt ook doordat de losse bijdragen niet echt bij elkaar komen en de makers ons eigenlijk geen antwoord geven op de vraag naar de betekenis van engagement en protest in deze tijd.

Doordat de voorstelling zich vooral richt op de geschiedenis van het protestlied, wordt bovendien – onbedoeld – het cliché bevestigd dat engagement iets van vroeger is. De protestliedjes van Leonard Cohen, Bob Dylan en Boudewijn de Groot geven de voorstelling het karakter van een herdenkingsavond. Gelukkig compenseren zangers als Theo Nijland en Flip Noorman dit gevoel. Vooral Noorman is met zijn legerbroek, hese stem en scherpe teksten een mooi voorbeeld van een hedendaagse protestzanger. Zo zingt hij een prachtige vertaling van Leonard Cohens ‘First we take Manhattan’ en een politieke aanklacht tegen de vermeende vrijheid in het westen. Hier vangen we een glimp op van hoe protest er nu uit zou kunnen zien.