Cultuur

Interview

Interview

Benny Andersson

Foto Knut Koivisto/Deutsche Grammophon

‘Na die tien dolle jaren heb ik een punt achter ABBA gezet’

Interview ABBA-toetsenist Benny Andersson maakte voor Deutsche Grammophon een album met ABBA-songs, solo gespeeld op zijn piano. „Ik kan hier al mijn emotie in kwijt.”

Benny Andersson zet zich achter de vleugel en speelt met vloeiende vingerbewegingen de razendsnelle synthesizerriedel van ‘The Day Before You Came’. Op piano klinkt het nog aanstekelijker dan in de oorspronkelijke hitversie van ABBA. De kale noten dansen over de toetsen en pakken zich samen tot het thema van een minisymfonie. Ook zonder de zang van Agnetha en de koortjes van Frida blijft het een wulpse melodie. Virtuoos gespeeld door de man die samen met Björn Ulvaeus de meer dan dertig hits schreef die ABBA tot een wereldwijd popfenomeen maakten.

Andersson (70) ontvangt de pers in zijn studio annex werkruimte in een voormalig boothuis op Skeppsholmen, een van de veertien eilanden die samen de Zweedse hoofdstad Stockholm vormen. Aanleiding is het album Piano dat hij maakte voor Deutsche Grammophon. Het biedt wat het belooft: Benny en een piano. Dat het om een ‘klassiek’ album zou gaan wuift Andersson fronsend weg. Piano bevat instrumentale versies van zes ABBA-nummers, zes stukken uit de musical Chess en een keuze uit latere composities. In de nieuwe bewerkingen is het rustgevende muziek die onder de noemer ‘new age’ geschaard zou kunnen worden, met hier en daar een overbekende melodie om mee te fluiten.

Visconserven

In Stockholm schalt de muziek van ABBA onverminderd uit de speakers van cafés en sightseeingbussen. Op een steenworp afstand van Benny’s studio ligt het eiland met het ABBA Museum, dat toont hoe Agnetha, Björn, Benny en Anni-Frid in de jaren 1969-1982 uit konden groeien tot het grootste hitfenomeen dat Zweden ooit gekend heeft. De opnamestudio en het kantoor van platenbaas Stig Anderson zijn er tot in detail nagebouwd. Je kunt er bellen met de paarsroze telefoon uit de publiciteitsfoto’s van ‘Ring Ring’. Je kunt er plaatsnemen in de helikopter van de hoes van het album Arrival. Overal klinkt ABBA, tot in de museumshop waar de koelkastmagneten als warme broodjes gaan en de ABBA-kerstballen met gouden glitterletters zijn uitverkocht, tot verdriet van het personeel.

Tijdens zijn korte recital speelt Benny Andersson een fragment uit ‘Sunny Girl’, een hit van de groep The Hep Stars waarmee hij vóór ABBA succes boekte in de jaren 1964-1969. Op zesjarige leeftijd kreeg hij accordeonles; piano leerde hij zichzelf. Op zijn vijftiende ging hij van school om professioneel muzikant te worden in het bloeiende folkcircuit van Zweden. Björn Ulvaeus trof hij in 1966 met zijn band The Hootenanny Singers, op een festival waar The Hep Stars ook speelden. Zangeressen Agnetha Fältskog en Anni-Frid Lyngstad werden de A’s bij de B’s van Björn en Benny. Terwijl Abba ook een bekend merk van visconserven in Zweden was (en is), schreven ze als ABBA geschiedenis. De eerste B in het groepslogo was per ongeluk gespiegeld toen iemand een plakletter verkeerd opplakte. A – omgekeerde B – BA werd een uit duizenden herkenbaar beeldmerk.

De vriendelijke heer Andersson spreekt ontspannen aan het enorme mengpaneel van zijn studio RMV, een afkorting die staat voor Riksmixningsverket (‘Rijksmixinstituut’). We zijn omringd door vintage muziekinstrumenten als een Moog synthesizer en een mellotron, sommige nog gebruikt in zijn ABBA-tijd. „De Moog kocht ik in 1972. Ik moest er speciaal voor naar Londen. Geen popmuzikant met ambitie kon zonder dat apparaat, nadat ‘Popcorn’ een hit was met die gekke elektronische plopgeluidjes (plopt met zijn tong tegen zijn gehemelte). De mellotron gebruikte ik in veel vroege ABBA-nummers.”

In muzieknotatie staat ‘piano’ voor zacht, beheerst. Speelde die betekenis een rol bij de keuze van uw albumtitel?

„Beslist. Het is contemplatieve muziek. Er was geen vooropgezet plan om een rustige plaat te maken, maar dat werd het vanzelf. De sfeer is piano, nog net niet pianissimo.”

Speelt u als autodidact anders dan een geschoold klassiek pianist?

„Hoe moet ik dat weten als ik nog nooit les heb gehad? Soms zou ik wensen dat ik muzieknotatie kon lezen en schrijven, om te communiceren met een groot orkest. In een popgroep kun je zeggen: dit zijn de akkoorden, speel jij die baslijn en we zien wel hoe het in elkaar past. Met een orkest van 46 man kan dat niet: zij hebben bladmuziek nodig om alles te doen wat ik wil dat ze doen. Alle partijen die ik in mijn hoofd hoor kan ik spelen. Vervolgens is er altijd iemand anders nodig om de noten op papier te zetten. Daar heb ik vrede mee, want het zou mij jaren kosten om dat onder de knie te krijgen. Die tijd steek ik liever in het creëren van muziek.”

In 1968 speelde u klavecimbel in het nummer ‘Sunny Girl’. Was u toen al thuis op dat klassieke instrument?

„Ach, er stond er een in de studio. Ik probeerde mijn pianopartij erop uit en het lukte meteen. Afgezien van het geluid is er geen verschil. Het enige waar ik even aan moest wennen is dat bij een klavecimbel de witte toetsen zwart zijn, en de zwarte wit. In de sixties werd er wel meer geëxperimenteerd met instrumenten die eigenlijk niet in popmuziek thuis hoorden. Als iets niet kon op een Franse hoorn, haalde je een klarinettist naar de studio.”

Het snelle loopje uit ‘The Day Before You Came’ speelt u met het grootste gemak. Oefening baart kunst?

„Inderdaad. Al zestig jaar speel ik praktisch elke dag. Het is belangrijk om er lol in te hebben. Dan voelt het niet als werk en dan word je gaandeweg steeds beter. Ik heb een diepe band met mijn piano. Bijna nergens ben ik gelukkiger dan op de pianokruk. Zelfs als ik zit te piekeren over een nieuw nummer. Achter de piano ben ik thuis.”

Op het album speelt u ‘Thank You for the Music’ met een andere timing dan het origineel. Er komt meer jazz bij kijken. Was dat een bevrijding?

„Björn en ik wilden ‘Thank You for the Music’ eigenlijk niet gebruiken op een ABBA-plaat. Het was ragtime; het voelde helemaal niet als popmuziek. Maar het klonk catchy en het paste in de minimusical die we op ABBA: The Album gezet hebben. Live zongen Frida en Agnetha het met pruiken op, als een soort gimmick. Zoals ik het nu speel is het een ander muziekstuk geworden. Dit hele album is bevrijdend voor mij. Ik kan er al mijn emotie in kwijt, zonder strikte tempo’s of andere muzikanten om rekening mee te houden.”

Het ABBA Museum maakt de band tot een nationaal instituut. Hoe kijkt u terug op de succesjaren?

„Ik ben trots op alles wat we bereikt hebben. Na die tien dolle jaren heb ik er een punt achter gezet en sindsdien ben ik geen ABBA-man meer. Chess en mijn Benny Andersson Orkester hebben me een nieuwe blik op de muziek gegeven. ABBA blijft overal opduiken. Opeens hoor je Erasure op de radio met een ABBA-nummer. Dan zit ik in de bioscoop en komt er een van mijn eigen liedjes langs op de soundtrack. Toen de musical Mamma Mia! zich aandiende was er geen ontkomen meer aan. ABBA leeft nog steeds onder de mensen. Ik heb me erbij neergelegd dat ik daar een onderdeel van ben.”

De slotvraag is onvermijdelijk: zal ABBA ooit nog eens bij elkaar komen?

„Vorig jaar stonden we voor het eerst in jaren weer samen op een podium, bij de vijftigste verjaardag van mijn ontmoeting met Björn. Alleen de meisjes hebben gezongen. We zijn bezig met het idee om ABBA als hologrammen op tournee te sturen. Een ideetje van Simon Fuller, een jongen die al eerder briljante concepten voor grote popsuccessen bedacht heeft. Alles wordt live: orkest, dansers, lichtshow. Alleen wij oudjes gaan niet meer mee. Agnetha, Frida, Björn en ik worden als avatars in onze jonge versies geprojecteerd, met onze echte stemmen die we losmaken uit de oorspronkelijke studiosessies en liveopnamen. Best cool, als je het mij vraagt. Terwijl het publiek mij live ziet spelen, ben ik thuis de hond aan het uitlaten. Geloof me: het is de enige kans om mij ooit nog op plateauzolen te zien optreden.”

Piano van Benny Andersson komt 29 september uit bij Deutsche Grammophon. De bladmuziek verschijnt bij Wise Publications.