Vrouwenprivaat

In de geschiedenis van het urinoir speelt seksualiteit een grote rol. Lang waren latrines in steden onder bruggen gevestigd. Dat was praktisch: plas stroomde zo het water in, poep was relatief makkelijk weg te spoelen. Bovendien was er enige privacy.

Dat had ook een nadeel. Dergelijke ‘publieke privaten’ ontwikkelden zich tot ontmoetingsplaatsen voor mannen. De Amsterdamse wetenschapper Gert Hekma vlooide ooit rechtbankverslagen na op zoek naar veroordelingen voor wat wel pisbakseks is genoemd. Hij vond er tientallen. Eén voorbeeld: „Een 18-jarige mattenmaker en een 38-jarige huisknecht hadden mutuele masturbatie gepleegd op een urinoir. De jongen had daar een stuiver voor gekregen en vervolgde aldus zijn bekentenis: ‘dat hij zoo iets ook wel deed met andere personen, die hem vroegen of hij wat verdienen wou’. De jongen kreeg vijf dagen gevangenisstraf en de huisknecht zes maanden.”

Om zogenoemde pisbakkenlopers te ontmoedigen, werden openbare latrines in de negentiende eeuw op straatniveau geplaatst. Eerst waren ze gesloten, tegen de stank, maar aangezien dit bleef leiden tot „de allerschandelijkste handelingen van mannen met knapen” werden er twee oplossingen bedacht: verlichting boven urinoirs en zijwanden die toelieten dat je tot op kniehoogte kon zien wat zich binnen afspeelde.

Overigens gebruikte men in plaats van urinoir lang de woorden waterplaats of waterbak. Het woord urinoir kwam pas halverwege de negentiende eeuw in de mode. Dit tot ergernis van een schrijver die zich in 1854 in het dagblad De Grondwet ‘Taaloor’ noemde. In een artikel getiteld ‘Taal-Verrijking’ fulmineerde hij tegen het oprukkende „gallomanisch hoogelands pedantisme”. Hekken werden opeens barrières genoemd, het woord bolwerk werd „verkromtongt” tot boulevard en nu werd waterbak zelfs vervangen door urinoir. De geschiedenis van het openbare toilet zelf lijkt van onhandigheden aan elkaar te hangen. Zo werd in 1861 in Rotterdam een latrine gebouwd boven op de brug van de gracht die leidde naar de Grote Markt. Het gevolg was, zo meldde de Rotterdamsche Courant indertijd, „dat de daaronder passerende schuiten, waarvan velen met groenten beladen, dikwijls met zeer onreine stoffen worden besproeid”.

Tegelijkertijd waren er architecten die grote gebouwen ontwierpen waarin nauwelijks sanitaire voorzieningen aanwezig waren. Dat gold bijvoorbeeld voor het in 1847 voltooide gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Utrecht, dat nu het conservatorium huisvest. „Wanneer er eens de eene of andere groote vergadering is”, merkte de Utrechtsche provinciale en stads-courant in januari 1859 op, „dan ziet men in de pauze of bij het sluiten der vergadering, de mannen bij menigte zich naar buiten begeven en de Mariaplaats tot een algemeen urinoir maken, waarvan de effekten bij vriezend weder overal te zien blijven” – wildplassers avant la lettre, want hoewel dit verschijnsel zo oud is als de mensheid, bestaan de woorden wildplassen en wildplasser pas sinds 1995.

De eerste zogenoemde vrouwenprivaten verschenen aan het eind van de negentiende eeuw op treinstations. En later in steden op straat, bij mondjesmaat en soms met beperkte openingstijden – zonder twijfel vanwege risico’s op zedeloosheid. „Zaterdag 16 Augustus”, schreef de Leeuwarder Courant in 1930, „wordt het privaat voor vrouwen, hetwelk zich bevindt aan de Westzijde van de Oude Waag, geopend. De uren van opening zijn: Werkdagen van 10-22 uur; Zondagen van 12-22 uur. Voor het gebruik is 5 cent verschuldigd.”

schrijft over taal. Twitter: @ewoudsanders