Het is tijd voor zachte krachten in het cabaret

Cabaretprijs

De belangrijkste cabaretprijs, de Poelifinario, is pas één keer door een vrouw gewonnen. Nu is de helft van de genomineerden vrouw. „In de kritiek zijn testosteron en harde humor nog altijd de norm.”

Genomineerd voor de Poelifinario, van links naar rechts: Vrijdag & Sandifort, Sanne Wallis de Vries, Theo Maassen, Claudia de Breij, Ronald Snijders. Fotobewerking NRC

Wie gaat op 2 oktober de Poelifinario voor beste cabaretvoorstelling van het afgelopen jaar winnen? Theo Maassen, Claudia de Breij, Sanne Wallis de Vries, Ronald Snijders of het duo Vrijdag & Sandifort? De lof van de jury bij de nominaties was het meest uitbundig voor het duo Vrijdag & Sandifort: „Er zijn maar weinig Nederlandse cabaretiers die met zoveel acteer- en zangtalent, energie en overtuigingskracht op het toneel staan”, schreef de jury. En: „Een strakke reeks scènes en liedjes die zeer komisch zijn maar ook sterk schrijnen.”

Dat zij het hardst worden geprezen is even verrassend als hun nominatie. De critici waren verdeeld over de voorstelling. NRC sprak van „toptypeurs” maar ook van „platte pret”. Bij de meeste critici maakte Van kwaad tot erger van Maassen veel lyrischer stukken los. De jury van de VSCD-prijs is over Maassen ook zeer lovend, al klinkt de lofprijzing „een college in de humorkunde” droger dan zijn voorstelling was.

Van de genomineerden gaat mijn voorkeur uit naar Sanne Wallis de Vries, die in haar comebackvoorstelling Gut gekte en ongemak in een fijnzinnige balans brengt met ernst en diepgang. Vanuit haar persoonlijk gebrek aan beslommeringen schakelt ze moeiteloos naar zorgwekkende thema’s uit de actualiteit, en terug.

Het zou pas de tweede keer zijn in de veertien jaar dat de prijs bestaat dat een vrouw de Poelifinario wint. Alleen Claudia de Breij won eerder, in 2010. Ook Maassen won overigens al een keer, in 2006. Dat de helft van de genomineerden dit jaar vrouw is, is een opmerkelijk gegeven. In de voorgaande dertien jaar waren van de 68 genomineerden niet meer dan 8 een vrouw (of vrouwelijk duo). Maar ja, wat verwacht je als zo’n jury schrijft (nog in 2012) dat er minder vrouwelijke dan mannelijke cabaretiers zijn omdat:

„vrouwen het zich niet kunnen permitteren om zich al te kritisch over de grote zaken van het leven uit te laten, want een vrouw geeft het leven en daar moet ze zorg voor dragen”.

Van de 55 acts die de sindsdien geheel vernieuwde VSCD-jury afgelopen seizoen meenam in zijn beoordeling zijn er 14 vrouw, een kwart. Bij die 55 zitten niet de cabaretiers die een nominatie weigeren, zoals Daniel Arends en Micha Wertheim. Dat is jammer, vooral in het geval van Wertheim, die een theatraal tweeluik maakte van de buitencategorie – hors concours.

Maar er treden dus nog steeds minder vrouwelijke cabaretiers aan. Bij Zomergasten wilde Claudia de Breij liever geen woorden vuil maken over vrouwen en humor, en dat is wel voor te stellen, want het is vreemd dat vrouwen nog in de verdediging moeten. Beter is het eens te wijzen op de perceptie van vrouwelijke cabaretiers.

Genoeglijke grapjes

Zo viel de wat mij betreft meest indrukwekkende voorstelling van het seizoen, Voest van Nathalie Baartman, oordelen ten deel als „genoeglijke grapjes” en zinnen als: „Ze zingt liedjes in Twents dialect, waarbij ze zichzelf begeleidt op de accordeon. Het geeft haar cabaret een authentiek, maar nogal kneuterig sfeertje.” Over haar vorige show, het schitterende Louter, schreef een recensent: „Een vrouw die kleding draagt uit de Wehkampgids van 1975 en er bijpassende meningen op nahoudt.”

Wat Nathalie Baartman in beide voorstellingen doet, is pleiten voor werkelijk contact met andere culturen. Inderdaad, heel erg 1975. Vluchtelingen, racisme en andersdenken waren grote thema’s in veel cabaretvoorstellingen de afgelopen jaren, maar bij Baartman bleef dat geen commentaar en waren er daadwerkelijk persoonlijke ontmoetingen.

Baartman zocht vluchtelingen op in het azc van Azelo, bij haar woonplaats, en dat leidde tot even geestige als ontroerende verhalen, over „mooie mannen met een hulpvraag”. En tot een van prachtigste zinnen dit jaar uit een cabaretshow. Over de ongrijpbaarheid van het ongenoegen dat mensen kwelt, zegt ze: „Het is oneerlijk dat migranten daarvan de schuld krijgen. Vaak is het gewoon degene naast wie je in bed ligt met wie je de meeste moeite hebt.” Dat is geestig en raak de neurose van de ‘gewone, boze burger’ gerelativeerd.

Baartman zingt ook enkele Annie M.G. Schmidt-prijs waardige liedjes. Met accordeon, akkoord, maar de teksten zijn allesbehalve kneuterig: „Mamma! Ik wil een jihadist! Zo’n hele brute hunk, waar alles mis mee is. In 1000 en 1 nachten is hij dan mijn liefje, o laat me hem verzachten, mijn dwaze explosiefje.” Het slotlied van Voest, ‘Ik geloof in Nederland’, is een oproep om langs het ontmoedigende, harde nieuws ook eens te kijken naar alle positieve ontwikkelingen, met de wens dat zachte krachten zullen overwinnen.

Ook in het cabaret, zou ik zeggen, want in de kritiek zijn testosteron en harde humor nog altijd de norm, waardoor zachte krachten soms moeite hebben om geaccepteerd te worden – cabaret dat te poëtisch, indirect, theatraal, modernistisch, meta, sprookjesachtig of optimistisch is, heeft het vaak moeilijk. Als het niet toch gewoon een man-vrouwprobleem is, want de vrouw met meer dan genoeg testosteron in haar programma – de vuilbekkende Sara Kroos in het ruim van vuige en wrange grappen voorziene Doorgefokt – werd dan vreemd genoeg weer door de jury over het hoofd gezien.

Het is opboksen tegen grappen als van Theo Maassen, die in zijn voorstelling zei: „Vrouwen hebben meer gevoel voor drama, mannen hebben meer gevoel voor humor. Vrouwen hebben ook gevoel voor humor, maar dan zoals mannen ook tepels hebben.” Allemaal ironie, want zoals hij daarvoor al uitlegde over hoe ironie werkt: „Als ik me lelijk uitlaat over homo’s, dan snappen jullie dat dat niet is omdat ik een hekel heb aan die gore flikkers.”

Een van de meest empathische, slimme en daarmee mooiste zinnen van dit seizoen zat in Gut, waarin Wallis de Vries in een lied over Wilders zegt: „Zullen we kijken of we het licht kunnen maken waar het donker is?” En dat koppelt ze subtiel aan haar Friese opa, die haar uitlegde dat geloof een kwestie van naastenliefde is, van licht maken bij een ander die in het donker zit. Wat het ook zo treffend maakte, was dat ze met die zin in die passage subtiel de scheiding ophief tussen de geloofloze en de gelovige, zijzelf en haar opa, om zodoende een bond te smeden tussen alle mensen die het goede zoeken.

Kijk, je kunt de hardste en meest cynische grap over Wilders maken, en die kan ongelooflijk grappig zijn. Zoals je een voorstelling op zoek kan zijn naar de beste grap over Mohammed, zoals Theo Maassen deed, en dan uitkomen bij zijn pedofilie, een Wikipedia-feitje waar Maassen toch een sterke grap uit weet te peuren.

Maar je kan de zaak ook omdraaien. Uit die groef van hakken en zagen stappen en de tegenstander tegemoetkomen. Dat is verrassender en als gedachtesprong ook intellectueel bevredigender. Moet dat idee bij vrouwen vandaan komen? Nee, natuurlijk, maar zo ging het wel. Die omkering naar positivisme, zachtheid en optimisme delen toevallig de drie beste voorstellingen van het jaar, van Wallis de Vries, Baartman en De Breij: drie vrouwen die het leven geven ‘en daar zorg voor dragen’… Zoals een seizoen eerder Lennete van Dongen al opviel, toen ze met Tegenwind vrolijk en fel bekritiseerd feelgoodcabaret maakte over haar herwonnen geluk.

Witte vlag

Als een man zo’n wending maakt in een programma krijgt hij dat overigens ook te horen. Pieter Derks kreeg begin dit jaar als kritiek dat hij te aardig was in zijn Spot, een „mak schaap”, omdat hij in een lied de witte vlag hees. Witte vlag, u weet wel, het symbool van vrede en wapenstilstand. De criticus schreef: „Een interessante cabaretier moet toch een onruststoker zijn.” Alsof onrust per se woede moet zijn, en alsof – en is dat geen open deur? – onrust niet interessanter wordt bij een tegendraadse mening, en alsof tegendraads niet ook kan zitten in onverwachte empathie.

Claudia de Breij zei het letterlijk in haar Oudejaars: „Ik ben wel redelijk klaar met dat boze. Het heeft ons tot nog toe niet zoveel gebracht. Ik ben zelf wel weer toe aan iets opbouwends.” Ook zij bezocht het asielzoekerscentrum in haar stad, en vervolgens vluchtelingenkampen, in Macedonië, Griekenland en Libanon. De achtergronden van haar conference, met veel meer over die reizen en andere onderwerpen, beschrijft ze in het prachtige boekje De oudejaars – zo’n toelichtend boek schrijven is een praktijk die meer cabaretiers zouden moeten volgen.

In de conference en het boek volgen we De Breij, niet tot de beste grap over de profeet, maar tot de beste, simpele vraag aan vijftien gevluchte moslima’s: of zij ook echt willen dat mannen de baas spelen, of dat hun cultuur is? Nee, dat willen ze niet. En als De Breij de groep vertelt dat ze moest huilen op haar bruiloft, geeft ze een reactie van een van hen weer: „‘Ja’, zei het uitgehuwelijkte meisje, ‘toen ik moest trouwen moest ik ook ontzettend huilen’.”

Die opbouw van deze passage is minstens zo clever als de tepelgrap, maar je kan er hooguit om grimlachen. Ook dat is cabaret. Het genre is rekbaar genoeg. Het zou zo maar kunnen en het zou mooi zijn als Claudia de Breij daarom opnieuw de Poelifinario wint. Of dat zo is, weten we maandagavond, als de prijs wordt uitgereikt in het Haagse theater Diligentia.

Uitreiking Poelifinario en Neerlands Hoop. Diligentia, Den Haag, maandag 2 oktober 20 uur. Inl: diligentia-pepijn.nl