Column

Netflixen in de Kamer

VVD-Kamerlid Ybeltje Berckmoes was woordvoerder vrouwenemancipatie toen ze tegen een groep Gooische vrouwen zei: ,,Vrouwenclubs moeten zichzelf eigenlijk opheffen.” Kort daarna werd haar deze portefeuille afgenomen. Ze kreeg er defensie voor terug. Totdat ze bezwaar maakte tegen een nieuwe marinierskazerne in Vlissingen. Toen werd ook die portefeuille ‘ontmanteld’. Ze eindigde ten slotte met een lege portefeuille.

Dinsdag verschenen de memoires van Ybeltje Berckmoes, zes jaar backbencher en na de verkiezingen van maart ambteloos burger. Ze presenteert het boek als een aanklacht tegen de gesloten partijcultuur en de vriendjespolitiek binnen de VVD. Ze beschrijft zichzelf als „stemvee Klara 39” (naar haar plaats op de lijst), dagenlang wachtend op de bel die de stemmingen in de Kamer aankondigt. Haar tijd dodend met Netflix – „Heerlijk!”

Berckmoes was in 2011 zonder enige moeite via de gemeenteraad van Den Helder Tweede Kamerlid geworden. Hoewel ze dus de ene portefeuille na de andere verloor, werd ze toch weer op een verkiesbare plaats gezet, al vroeg fractieleider Halbe Zijlstra haar: „Hoe ben jij in godsnaam Kamerlid geworden?’’

Goeie vraag.

Ybeltje Berckmoes zet de schijnwerper op het wezen van het parlement. Is het een baan of is het een vertegenwoordiging van het volk? En hoe kan het dat je zo lang kunt blijven zitten, terwijl je evident niets uitvoert?

In zijn bundel Niet spreken met de bestuurder legde Gerard van Westerloo briljant vast hoe de volksvertegenwoordiger veranderde in een politieke professional. Hoe de actieve ambtenaar volgens de scheiding der machten geen actief gemeenteraadslid mag zijn en hoe er desondanks in een stad als Arnhem provinciedienaren ’s avonds de Markt oversteken naar de raadszaal om daar politicus te zijn. En dan concludeert hij dat een klein – sociaal, economisch en beroepsmatig homogeen – segment uit de samenleving het politieke alleenrecht heeft verworven: de beroepsvergaderaars. Het beleidswerk van de politieke kaste is zo ingewikkeld geworden dat niemand buiten deze kaste het er in de avonduren bij kan doen.

Zo probeerde Ybeltje Berckmoes het bij Pauw uit te leggen. „Ik denk dat er veel meer mensen als ik in de Kamer zouden moeten”, zei ze. Zoals zij voor de mariniers uit Den Helder spreekt, bedoelde ze. „Niet allemaal Ybeltjes, maar ook niet allemaal beroepspolitici.”

Je praatje is goed, maar je smoesje deugt niet, zei mijn moeder vroeger.

Het tegenovergestelde van een kaste-politicus is niet een uitvreter die in de Kamer voor de tv hangt tot ze stemt wat de fractievoorzitter haar sms’t te stemmen. Als dat de gesloten partijcultuur was, dan heeft ze die toch zes jaar heerlijk genoeg gevonden.

Jutta Chorus (j.chorus@nrc.nl; Twitter: @JuttaChorus) schrijft op deze plek een wisselolumn met Tom-Jan Meeus.