Column

Kwestie van handhaving

Iemand had één dag voor de vuilophaling een plastic zak met vuilnis op de stoep gelegd. Enkele gemeentelijke handhavers doorzochten de zak, gooiden hem in de achterbak van hun busje en noteerden iets in een notitieboekje. Ik zag het gebeuren en vroeg me af of ik het ermee eens was.

Een poosje eerder had ik een mij onbekende man die de vuilniszakken doorzocht, gevraagd daarmee op te houden. Je schendt de privacy, zei ik. Hij stelde voor mijn kop eraf te hakken en in zo’n zak te stoppen, maar ik vond dat we dat de hardwerkende mannen van de gemeentelijke reinigingsdienst niet konden aandoen.

Mochten die handhavers nu wél wat ik deze man had willen onthouden? Ja, besloot ik, want als iedereen zijn vuilnis een dag te vroeg aan de straat zou zetten, zou de stad één grote vuilnisbelt worden.

Wie zó met de stad omging, verspeelde zijn recht op privacy. Het was een kwestie van handhaven wat gehandhaafd moest worden. Daar waren die handhavers voor. Ze moesten de leefbaarheid en de veiligheid van de stad bevorderen. Net als de politie waren ze bevoegd om strafbare feiten op te sporen.

Nu is mijn indruk dat die handhavers daar soms stipter en consequenter in zijn dan de politie zelf. Ik weet wel bijna zeker dat een surveillerende politieman die zak was gepasseerd zonder iets te doen. „Geen prioriteit.”

Enkele voorbeelden. Aan de Marnixstraat ligt het Hoofdbureau van de politie van Amsterdam. Dagelijks lopen daar honderden politiemensen in en uit. Tegenover hun deur ligt een zebrapad waar fietsers en scooterrijders overheen jagen zonder op de voetgangers te letten; die moeten maar even wachten tot ze voorbij zijn.

Misschien kom ik er steeds op het verkeerde moment langs, maar ik heb nog nooit een politieagent daar een bon zien uitschrijven.

Even verderop, aan de Lijnbaansgracht, ligt op de hoek tegenover de Melkweg een ander, kleiner politiebureau. Dat stukje van de gracht is tegenwoordig verboden voor fietsen, scooters en auto’s. Toch blijven de fietsers en scooterrijders daar vrolijk doorrijden – begrijpelijk omdat langs de kant op een boot een grote fietsenstalling staat waar ze heen moeten.

Dat leidt tot de koddige situatie dat de politiemensen buiten naar hun politieauto moeten lopen, terwijl de wetsovertreders op fiets en scooter zonder aarzeling langs hen heen flitsen. „We gedogen het, het is een overgangssituatie, de gemeente regelt zoiets buiten ons om”, zuchtte een politieman die ik ernaar vroeg, „straks mag hier helemaal geen verkeer meer komen.”

Ik moest denken aan die ijverige gemeentelijke handhavers bij mij op de stoep. Was dit geen kolfje naar hun hand? Ik zag het al voor me: terwijl de gedogende politiemensen voor hun bureau zo ongeveer omver werden gekegeld door fietsen en scooters, sprongen de handhavers moedig in het ontstane gezagsvacuüm.

Zij waren er toch voor de leefbaarheid en de veiligheid in de stad? Zij mochten toch ook bekeuringen uitschrijven? Sterker nog: zij waren juist aangesteld om de politie te ontlasten.

Als een handhaver zich wil handhaven zal hij moeten handhaven – zo simpel is dat. Het staat ook op het uniform: ‘Handhaving’. En de politie? Die moet oppassen dat we niet steeds meer gaan denken: ‘Niet-handhaving’.