Recensie

Stedelijk vertelt kinderachtige verhaaltjes over migratie

Migratie Ook het Stedelijk Museum in Amsterdam brengt nu een tentoonstelling over migratie. Maar de kunstenaars worden er niet serieus genomen.

Bertien van Manen, Turkse meisjes tijdens feest Schiedam, 1977 Foto Stedelijk Museum Amsterdam

Op 28-jarige leeftijd verhuisde Miguel-Ángel Cárdenas van Bogotá naar Amsterdam. Het was 1962 en hij voelde zich, als homoseksuele pop-artkunstenaar, thuis in de Nederlandse hoofdstad. Hij verhollandste zijn naam tot Michel Cardena. In de jaren zeventig was hij een van de pioniers van videokunst in ons land. Samen met een andere naar Amsterdam verhuisde kunstenaar, de Mexicaan Ulises Carrión (1941-1989), richtte Cárdenas het kunstenaarsinitiatief In-Out Center op. Vanaf het eerste uur was hij betrokken bij de Vereniging van Video-kunstenaars (later Time Based Arts). Halverwege de jaren tachtig keerde hij terug naar de schilderkunst waarmee hij zijn carrière begonnen was. In de laatste jaren van zijn leven kreeg hij heimwee naar Colombia en veranderde zijn naam terug naar Miguel-Ángel Cárdenas. Sommige intieme vrienden bleven hem desalniettemin liefkozend Michelleke noemen. Cárdenas overleed twee jaar geleden in Amsterdam.

Op de tentoonstelling Ik ben een geboren buitenlander neemt het werk van Cárdenas een prominente plaats in. Vroege tekeningen en schilderingen, zoals Drie gloeiende wonden met elkaar verbonden (1970), in Oost-Indische inkt, gouache en gespoten verf in lichtgevend roze op aluminiumfolie, tonen semi-abstracte, sterk erotisch getinte voorstellingen. Cárdenas bediende zich, en dat geldt voor zijn hele oeuvre, van een esthetiek die even euforisch en sensueel als ironisch was.

Ulises Carrión, The Death of the Art Dealer, 1982. Foto Roger Cremer

De context van de tentoonstelling waarin zijn werk nu is te zien is curieus. De titel Ik ben een geboren buitenlander is een citaat afkomstig van Carrión, van wie vroege videofilms en allerlei documentatiemateriaal – Carrión deed ook aan mail art – zijn te zien. De combinatie van Cárdenas en Carrión is interessant en had uitgebouwd kunnen worden tot een volwaardige expositie. Maar om hen heen stort het tentoonstellingsconcept van Ik ben een geboren buitenlander als een kaartenhuis in elkaar.

Het uitgangspunt is de vraag: ‘Wat kan de invloed zijn van migratie op kunstenaars, nu en in het verleden, en hoe brengen ze dit in beeld?’

De tentoonstelling is onderdeel van een breder onderzoeksprogramma naar aspecten van het thema migratie. Het Stedelijk stelt zich hiermee tevens ten doel om de eigen collectie op een experimentele manier te benaderen, te interpreteren en te presenteren.

De vraag is nogal veelomvattend, en dat gecombineerd met het ambitieuze experiment met de collectie heeft ertoe geleid dat de meest uiteenlopende kunstenaars uit verschillende historische perioden op een onnavolgbare manier bijeen zijn gebracht. Er zijn kunstenaars zoals Cárdenas en Carrión die naar Nederland zijn geïmmigreerd en zich hier als kunstenaar hebben ontwikkeld, maar van wie het werk (van bijvoorbeeld Cárdenas) niet per se over migratie gaat. Dan zijn er kunstenaars die in het buitenland wonen, niet zelf zijn geëmigreerd maar die werk maken rond het thema migratie, zoals Aslan Gaisumov (1991, Tsjetjenië), Rosella Biscotti (Italië, 1978) en de Amerikaanse performancekunstenaar Meredith Monk (1942). Er is werk van Nederlandse documentaire fotografen die immigranten in Nederland in beeld hebben gebracht zoals Bertien van Manen (1942), Ad van Denderen (1942) en een Amerikaanse fotograaf die Nederlandse immigranten in Amerika heeft gefotografeerd (Lewis Hine 1874-1940). En ten slotte zijn er op de tentoonstelling Nederlandse, niet gemigreerde, kunstenaars die zich (soms) met het thema migratie bezighouden zoals Wendelien van Oldenborgh (1962) en Barbara Visser (1966).

Ulises Carrión, T.V. Tonight, Video. 1987. Foto Roger Cremer

Niet alleen hebben al deze kunstenaars volstrekt niets met elkaar te maken, erger is dat de tentoonstelling hun werk maakt tot een simplistische illustratie bij een politiek-correct thema dat momenteel een must is in de kunstwereld, van ‘Surinamers die zich in de jaren 70 vestigden in de Bijlmer’ tot ‘meer actuele beelden van vluchtelingen aan de kust van Zuid-Spanje’ (uit de persinformatie). Het is een gelegenheidstentoonstelling waarmee het Stedelijk, naast Rijksmuseum, Witte de With, Van Abbe enzovoort, óók een duit in het zakje lijkt te willen doen van het debat over postkolonialisme en eurocentrisme.

Mag dat dan niet? Natuurlijk wel, en het onderwerp is zeer belangrijk – te belangrijk om op een dergelijke salonfähige manier af te doen. Dit is een grote gemiste kans, want er is zeker interessant werk te zien. De meest geslaagde zaal is een hoekzaal met facsimiles van de fraaie beeldstatistieken van de vroege, door het constructivisme beïnvloede kunstenaar Peter Alma (Medan, 1886 - Amsterdam, 1969). Overigens had Alma zijn grafieken van het ‘Passagiers-vracht- en postvervoer op de Indië-lijn’ (ca. 1937) en de ‘Tijdsduur van de vluchten Amsterdam-Batavia’ (ca. 1936) uitdrukkelijk niet als beeldende kunst gedacht. In dezelfde zaal zijn van Biscotti abstract-geometrische weergaven van statistische gegevens van immigranten te zien, verwerkt tot moderne, witte tapijten met grijze blokjespatronen. Hier wordt zichtbaar hoe, bedoeld of onbedoeld, de levensloop van mensen geanonimiseerd en geësthetiseerd wordt.

Voor het grootste deel ontbreekt aan de tentoonstelling echter iedere samenhang en worden kunstwerken gereduceerd tot kinderachtige verhaaltjes. Dit gebeurt bijvoorbeeld met het op zichzelf gelaagde werk De wereld behoort aan hen die vroeg opstaan (2002) van Visser. De foto’s uit deze vijfdelige serie brengen verwijzingen naar toerisme en vakantie, aangespoelde lichamen van vluchtelingen en een fotoshoot voor een modereportage in één werk op een geraffineerde en ongemakkelijke manier samen. Maar door de combinatie met documentaire foto’s over migratie verliezen deze foto’s hun complexe karakter.

Zou Cárdenas geprotesteerd hebben tegen deze beperkende context van zijn werk? Vermoedelijk niet. Hij was, zoals zo veel kunstenaars, een rechtgeaarde opportunist die iedere kans om zijn werk te laten zien met beide handen aangreep. Maar van de bezielende drang tot zelfbevrijding die zijn werk kenmerkt blijft hier weinig over. Precies het tegenovergestelde gebeurt van wat, naar ik aanneem, de bedoeling is van de tentoonstelling: emancipatie verwordt hier tot stigmatisering. Dit gebeurt omdat het werk van de kunstenaar niet serieus genomen wordt als kunst.

Stanley Brouwn

Ulises Carrión, The Death of the Art Dealer, 1982. Foto Roger Cremer

De grote afwezige is de conceptuele kunstenaar Stanley Brouwn (Paramaribo, 1935 - Amsterdam, 2017), een van onze bekendste kunstenaar-buitenlanders. Het Stedelijk bezit een ruime collectie van zijn werk, van de vroege This Way Brouwns tot de late installaties. Brouwn was op creatieve wijze geobsedeerd door afstand, beweging, en door het meten en op onpersoonlijke wijze archiveren van afstanden en verhoudingen in relatie tot zichzelf, Brouwn. Daarbij bleef hij zelf radicaal buiten beeld. Hij verbood iedere publicatie van foto’s van hem, en in catalogi – of het nu van het Museum of Modern Art in New York was of van een kleine galerie elders in de wereld – werden geen biografische gegevens opgenomen. Hij wilde hoe dan ook niet geclassificeerd of gecategoriseerd worden. Dat gold niet alleen hemzelf maar ook voor zijn kunst: Brouwn weigerde obstinaat om aan thematentoonstellingen mee te doen of aan een tentoonstelling van bijvoorbeeld beeldhouwkunst, want daarmee werd zijn werk gecategoriseerd als beeldhouwkunst.

Kennelijk heeft het Stedelijk de hartstochtelijke wens van Brouwn gerespecteerd door hem niet in de tentoonstelling op te nemen. Dat is maar goed ook. Of ging zijn werk misschien niet voldoende over migratie? Er valt hoe dan ook voor curatoren iets te leren van de kunstenaarshouding van Brouwn. Mag het, niettegenstaande alle engagement, weer over kunst gaan?