De kunstgalerie verjongt

Onderzoek

Kunstkopers kijken vaker eerst online en gaan dan naar de galerie. Jonge galeries spelen daarop in.

Alexander Hoorn en Thierry Renier Foto Roger Cremers

Er komen steeds meer jonge galeriehouders: zo’n 10 procent van de galeries bestaat korter dan twee jaar, drie jaar geleden was dat nog maar 3 procent.

Dat staat in twee onderzoeken die deze week naar buiten zijn gebracht door de Nederlandse Galerie Associatie, de brancheorganisatie van het galeriewezen. Het gaat om onderzoeken naar de stand van de galeries en naar eventueel veranderd gedrag van kunstkopers.

Nederland telt ruim vierhonderd galeries voor hedendaagse kunst, waar zo’n duizend mensen betaald werk verrichten (één op de drie galeries is een eenpersoonszaak). Tweederde van die galeries is gevestigd in de vier grote steden. Gemiddeld vertegenwoordigen galeries twintig kunstenaars, als ze werk van hun kunstenaars verkopen ontvangen ze ongeveer de helft van de opbrengst.

Zelf noemt de Nederlandse Galerie Associatie het opvallend dat „het tonen en kopen van kunst een fysieke activiteit blijft”. Kunst wordt steeds vaker online aangeboden: via online platforms, maar bijvoorbeeld ook doordat bij de helft van de galeries kopers zich via de website kunnen oriënteren op het totale aanbod (drie jaar geleden was dit nog geen 30 procent).

Toch vindt het eigenlijke kopen nog altijd meestal plaats in de galerie: „Mensen willen een kunstwerk zien en aanraken, contact hebben met de kunstenaar, de verkoper, andere verzamelaars.” Ook speelt een rol dat kunstkopers galeries zien als „een keurmerk voor kwalitatief hoogstaande kunst”.

Er is wel een verschuiving gaande. Kunstkopers in de leeftijd van twintig tot veertig jaar oriënteren zich vaker online. Zij kopen ook het vaakst via een online verkoopkanaal, 40 procent in deze leeftijdcategorie doet dat. Tegelijk zijn jonge kunstkopers „vaker bereid te reizen voor een kunstwerk dat ze eerst op de website van een galerie hebben gezien”, aldus het onderzoek.

Met name de jongere galeries spelen hierop in. Zij combineren een klassieke galerie met een kunstbeursgalerie en/of een online galerie. Of ze organiseren pop-upgaleries, „een laagdrempelige optie om jonge kunstgeïnteresseerden in contact te brengen met galeries”. Jongere galeries exposeren ook vaker dan de oudere fotografie en audiovisuele, digitale en mediakunst.

Online of offline

Tegelijkertijd wordt in een klassieke galerie aanzienlijk meer geld uitgegeven dan bij online kunstaankopen. De meeste kunstkopers besteden in een galerie tussen de 1.000 en 3.000 euro, terwijl online vooral kunst tot 500 euro wordt gekocht. Overigens is de gemiddelde kunstkoper nog altijd een hoogopgeleide man of vrouw van tussen de vijftig en de zeventig jaar oud, die woont in het westen van het land.

Een andere verschuiving betreft het kopen op kunstbeurzen: dat neemt al jaren toe (kunstbeurzen staan als verkoopplek van kunst op plaats drie, op één staan galeries en op twee ateliers van kunstenaars). Doordat kunstkopers het werk fysiek willen ervaren, ondervinden galeries dan ook niet zozeer concurrentie van online verkoopkanalen, maar des te meer van de oprukkende beurzen.

Een beurs wordt door veel mensen bovendien als toegankelijker gezien dan een galerie. Zoals in het onderzoek staat: „Galeries worden ervaren als hoogdrempelig en commercieel of duur en niet altijd als klantgericht.” Iets wat naar analogie van het uiterlijk van veel galeries wel „de angst voor de white cube” wordt genoemd.

Zo’n 80 procent van de galeries neemt deel aan beurzen, gemiddeld twee keer per jaar. Maar galeries zien die deelname tegelijk als een financieel risico: of de verkoop de kosten dekt is onzeker. Een kwart van de galeries staat op Art Rotterdam en/of de Kunst RAI, ruim eenderde is ook te vinden op buitenlandse beurzen.

En dan de gemiddelde omzet. Die is de afgelopen jaren met 9 procent gedaald, van 282.000 euro in 2013 naar 257.000 in 2016. Die daling hangt waarschijnlijk samen met het groeiend aantal jonge, goedkopere galeries.

  1. ‘Verzamelen is mijn passie’

    Alexander Hoorn en Thierry Renier. Foto Roger Cremers

    Wie: Alexander Hoorn (36)

    Galerie: Hoorn & Reniers in Den Haag

    Sinds: 2 september 2017

    „Wij drijven deze galerie met z’n tweeën, mijn compagnon en ik. We hebben elkaar voor het eerst ontmoet op een kunstbeurs, waar ik naartoe ging omdat ik werk bij hem wilde kopen. Thierry had toen nog een andere galerie, Vonkel. Een werk van Inge Aanstoot dat hij die dag te koop aanbood, had ik gezien op internet. Ik wist: dat moet ik hebben. Ik kon er de hele nacht niet van slapen, om er op tijd bij te zijn had ik de plattegrond van de beurs uit mijn hoofd geleerd. Die ging om elf uur open, om vijf over elf had ik het werk gekocht.

    „Thierry noemt mijn verzameldrift een ziekte, zelf noem ik het een passie. In de galerie die we nu samen hebben, hangen veel kunstenaars die ik al kende doordat ik ooit werk van ze kocht. Ik heb altijd verzameld, als kind waren dat steentjes met een glanzend randje, later werd het grafiek en nog later schilderkunst.

    „Daardoor heb ik wel acht jaar gedaan over mijn studie kunstgeschiedenis: tussendoor werkte ik hele periodes in de horeca, zodat ik geld had om kunst te kopen. Veel grote doeken zijn het, soms wel tweeëneenhalf bij drie meter. Thierry en ik verschillen daarover wel eens van mening: wat voor mij normaal is, vindt hij al snel een groot werk.

    „Met deze galerie is een droom uitgekomen. Na mijn studie heb ik zo nu en dan geholpen bij het samenstellen van tentoonstellingen, ook was ik vijf jaar lang als vrijwilliger conservator bij een klein museum. Dat was in Noordwijk, waar mijn ouders een restaurant hebben. Aan het einde van mijn werkdag ging ik dan daar naartoe om te helpen, zo verdiende ik mijn geld. Intussen leerde ik veel: hoe je subsidie aanvraagt, tentoonstellingen organiseert, een catalogus maakt.

    „Toen ik mijn verhaal aan Thierry vertelde, zei hij: ‘Ik wil eigenlijk een grotere, internationalere galerie beginnen, heb je zin om mee te doen?’ Zo is het gekomen. Het heeft zo moeten zijn, denk ik.”

  2. Een community van kunstenaars

    Yvonne de Jong. Foto Roger Cremers

    Wie: Yvonne de Jong (25)

    Galerie: Assembled by Root in Rotterdam

    Sinds: januari 2016

    „Ik heb de Willem de Kooning Academie gedaan in Rotterdam. Daar kwam ik erachter dat ik eigenlijk te praktisch ben ingesteld voor een kunstenaar, mijn kracht zit in het organiseren van dingen. Ik zag ook dat er een gat zit tussen wat je wordt geleerd en hoe het vervolgens gaat, wanneer je eenmaal aan de slag gaat: dat loopt lang niet altijd goed af. Zodoende had ik mijn vraagtekens bij hoe de kunstwereld is georganiseerd, vooral het traditionele galeriemodel: heb je daar echt baat bij als kunstenaar?

    „Ik ben toen een onderzoek begonnen naar de randvoorwaarden voor het exposeren van kunst: wat is daar nou wel en niet voor nodig. Om daarachter te komen organiseerde ik pop-ups, vooral in lege winkelpanden. Mijn conclusie was dat je als kunstenaar vrijheid moet hebben: de veiligheid van een galerie is belangrijk, maar als je bijvoorbeeld werk wilt verkopen via een eigen website moet dat ook mogen.

    „Een andere conclusie die ik trok: niet de galeriehouder bepaalt hoe het gaat, dat doe je samen. En met samen bedoel ik dat de kunstenaars en de galerie een community vormen. Ik wil niet pretenderen dat dit de oplossing voor alle galeries is, maar voor onze galerie is het belangrijk. Dus zo heb ik het hier nu georganiseerd: de acht kunstenaars van mijn galerie komen eens per maand bij elkaar, dan eten we samen en wisselen we kennis en ervaringen uit.

    „Wat ik vooral probeer is een veilige omgeving creëren voor de eerste jaren na het afstuderen. Ik wil het gat dichten tussen theorie en praktijk. Ik geef ook workshops in ondernemerschap. Want je kunt als kunstenaar bevlogen zijn en tegelijk je zaken op orde hebben. Omdat ik zelf op de academie heb gezeten, begrijp ik denk ik de spanning tussen die twee dingen beter.”

  3. ‘We willen de drempel verlagen’

    Lucas en Renée Albada Jelgersma. Foto Roger Cremers

    Wie: Lucas (30) en Renée (32) Albada Jelgersma, broer en zus

    Galerie: ALBADA JELGERSMA in Amsterdam

    Sinds: 2 september 2017

    Hij: „Onze ouders namen ons vaak mee naar musea en tentoonstellingen. Ik vond dat toen niet altijd even leuk, maar het heeft wel sporen nagelaten. Nu hangt mijn hele huis vol kunst. Kunst raakt me, elke keer dat je naar een kunstwerk kijkt verandert het, alsof het leeft.”

    Zij: „Bij mij is het bijna spiritueel. Ik heb heel heldere herinneringen aan kunstwerken die ik heb gezien – en waardoor ik anders ging kijken naar de wereld om mij heen. Ik zou niet zonder kunst kunnen leven.”

    Hij: „Ik heb commerciële economie gestudeerd en ben daarna met een vriend een recruitmentbureau begonnen. Het verdiende goed, maar het werk dat ik deed raakte me niet. Vorig jaar heb ik het bedrijf verkocht.”

    Zij: „Ik heb in galeries gewerkt in New York, na een master in Arts Administration. Eind mei ben ik teruggekomen.”

    Hij: „En toen bedachten we: we beginnen samen een galerie.”

    Zij: „Ik was altijd van: kan dat zomaar? Maar daar heb ik me overheen gezet, we proberen het gewoon. En we steken ons ook niet in de schulden of zo.”

    Hij: „Ik denk dat dit makkelijker gaat dan bij mijn eerste bedrijf. Wij tweeën kennen elkaar goed, dat geeft een veilig gevoel.”

    Zij: „Ik ervaar het net zo. We vullen elkaar ook aan. Mijn broer is een doener en een regelaar, hij is erg oplossingsgericht.”

    Hij: „En jij bent meer van de contacten met de kunstenaars.”

    Zij: „We merkten ook, toen we er met mensen over gingen praten: er is ruimte voor ons soort galerie. Wij zijn jong, we willen de dingen een beetje anders aanpakken. Zoals een cursus galeriebezoek-voor-leken opzetten. Het hoeft allemaal niet zo zwaar en lastig te zijn, hè. Een galerie bezoeken is ook gewoon leuk.”

    Hij: „We willen de drempel helpen verlagen. Onze leeftijdgenoten komen niet in galeries.”

    Zij: „En dan zeggen mensen hier: dat jullie dat durven. Maar in New York zeggen ze tegen mij: I’m so excited for you, this is great.”