Cultuur

Interview

Interview

Sean (Nahuel Pérez Biscayart) op de Gay Pride in Parijs.

‘Soms speelden we boosheid. Heerlijk’

Robin Campillo

Het bekroonde 120 BPM was de grote verrassing op het filmfestival van Cannes. Regisseur Robin Campillo verwerkte in zijn film herinneringen aan zijn tijd als jonge aidsactivist. „De film is het zelfportret van een groep.”

Het was de grote verrassing op de afgelopen editie van het filmfestival van Cannes, 120 BPM van de Franse regisseur Robin Campillo (55). Campillo maakte eerder films als Eastern Boys (2013) en hij schreef het scenario voor Laurent Cantets Gouden Palm-winnaar Entre les murs (2008). Goede films, maar toch niet helemaal een voorbereiding voor het verpletterende 120 BPM, de film die hij naar eigen zeggen „altijd al wilde maken”.

In zijn film verwerkte Campillo herinneringen aan zijn tijd als jonge aids-activist bij de radicale, luidruchtige actiegroep Act Up Paris, begin jaren negentig. In de eerste helft van 120 BPM staat de maatschappelijke strijd van de groep centraal; de tweede helft legt de nadruk op het ziekteproces van activist Sean, een voortreffelijke rol van de Argentijnse acteur Nahuel Pérez Biscayart (31). Zo ontstaat een bijzondere balans tussen een politiek geëngageerde film en een intieme, persoonlijke vertelling.

De Franse pers was euforisch, en bozig toen 120 BPM aan het einde van het festival niet de Palm d’Or kreeg, maar genoegen moest nemen met de Grand Prix, de tweede prijs. Dat weerhield sommige journalisten er niet van om 120 BPM – 120 slagen per minuut – alsnog uit te roepen tot morele winnaar van het festival, als de zogeheten winnaar van de ‘Palm de Coeur’ (Palm van het hart).

In Frankrijk is 120 BPM een evenement. Meer dan 600.000 bioscoopbezoekers hebben de film – de Franse inzending voor de Oscars – inmiddels gezien.

Op het moment dat Campillo met journalisten praat op een terras in Cannes, daags na de première, kan hij nog niet weten wat er allemaal in het verschiet ligt. Maar hij weet al wel dat zijn film uitstekend is ontvangen en verkeert in een opperbeste stemming.

Waarom wilde u uw persoonlijke herinneringen aan Act Up Paris verwerken een film?

„Mijn herinneringen aan die tijd zijn heel levendig. Ik heb het scenario puur geschreven op basis van herinneringen. Pas achteraf ben ik nog wat dingen gaan nazoeken. Ik ben een beetje te werk gegaan in de geest van Marcel Proust: op zoek naar de verloren tijd. Het mooie is dat herinneringen altijd een soort mengvorm zijn van verbeelding en werkelijkheid. De film is eigenlijk een zelfportret, maar het zelfportret van een groep.”

Waarom zijn uw herinneringen nog zo levendig?

„Voor mij was dit een enorm belangrijke periode, die me echt heeft gevormd. Ik wilde al langer een film maken over aids. Act Up leek me de beste ingang. Dat was het moment waarop de slachtoffers van de aids-epidemie het heft in eigen hand namen. Dat geeft de film een zekere energie en levendigheid, ook al gaat het over heel trieste gebeurtenissen.”

U besteedt veel tijd aan de politieke discussies binnen de groep.

„In Act Up gingen we de strijd aan met de farmaceutische industrie en de politiek, maar we gingen ook de strijd aan met elkaar over de koers. Om die debatten te kunnen voeren moesten we fysiek bij elkaar komen: internet speelde nog geen rol. Als je het hebt over mensen die ziek zijn en met allerlei lichamelijke problemen kampen, is die fysieke nabijheid een heel belangrijk gegeven.

„Eigenlijk voerden we geen gesprekken, maar onderhandelingen. Mensen zijn voortdurend met elkaar aan het onderhandelen, vaak zonder dat ze het zelf beseffen. Dat vind ik heel interessant. Zelfs in mijn seksscènes wordt flink gepraat. Als je veilige seks wilt hebben, moet je wel met elkaar praten.

„Onze bijeenkomsten en vergaderingen hadden ook een poëtische kant. In de jaren tachtig waren we, als slachtoffers van de epidemie, onzichtbaar geweest. We moesten onszelf zichtbaar maken. We droomden van allerlei politieke acties die we nooit zouden kunnen uitvoeren. Een van die ideeën was om de Seine bloedrood te laten kleuren. Dat was in werkelijkheid onmogelijk, maar in de film heb ik dat nu toch kunnen doen.”

De eerste helft van de film is vooral politiek. De tweede helft is persoonlijker en intiemer, als één activist centraal staat: Sean. Waarom die structuur?

„Het gaat om de vraag: hoe word je een individu, terwijl je tegelijkertijd onderdeel bent van een groep? Is dat niet altijd een probleem in het leven?”

Nahuel Pérez Biscayart speelt prachtig. Is hij een ervaren acteur?

„Ja, ja. Hij komt uit Argentinië. Daar is hij behoorlijk bekend. Hij heeft nu een aantal films gedaan in Frankrijk en ik denk dat hij ook bij ons heel groot zal worden. Ik hou van barokke acteurs, die bij wijze van spreken ook in een film zonder geluid zouden kunnen spelen. Zeker als je daar andere acteurs tegenover hebt, die juist weinig doen.

„Ik zat niet altijd helemaal op één lijn met Nahuel. Soms moet je dan als regisseur de acteur juist meer ruimte geven. Acteurs kunnen je ook een nieuw, beter idee geven van wat de film eigenlijk is. De film wordt dan misschien niet helemaal wat je voor ogen stond, maar wel beter. Ik ben het eigenlijk zat om als regisseur de acteurs steeds als kinderen bij de hand te moeten nemen.”

U leeft al lang met deze herinneringen. Waarom juist nu een film?

„De film zat altijd in mijn achterhoofd. Door mijn eerdere films was ik er nu rijp voor. Als filmmaker ben ik eigenlijk geboren bij Act Up. Onze acties waren vaak heel theatraal en daar beleefden we ook veel plezier aan. Niemand kan de hele tijd oprecht woedend zijn, soms moest je ook gewoon spelen dat je woedend was. We waren niet bang om belachelijk over te komen. Dat is misschien wel het allerbelangrijkste geweest. Misschien klinkt dit naïef, maar door Act Up ben ik een sterker mens geworden.”