Recensie

Rassen-rellen als alibi voor een gek

Historisch drama

Detroit ontrukt een nagenoeg vergeten bloedbad in de Amerikaanse stad, tijdens de rassenrellen van juli 1967, aan de vergetelheid. Als drama overtuigt de film niet helemaal.

Detroit brandt in juli 1967.

Regisseur Kathryn Bigelow en scenarioschrijver Mark Boal hebben een vruchtbare samenwerking. Bij hun eerste film, het oorlogsdrama The Hurt Locker, was Boal nog vooral een onderzoeksjournalist met gespecialiseerde kennis van de Amerikaanse oorlog in Irak, die zijn eerste scenario schreef voor een gelauwerd regisseur. Daarna maakten Boal en Bigelow gezamenlijk het imposante Zero Dark Thirty, over de zoektocht naar – en executie van – Osama bin Laden. Die film was controversieel omdat de film impliceerde dat marteling direct tot een doorbraak in het onderzoek heeft geleid. En nu is er Detroit, dat een nagenoeg vergeten bloedbad in die Amerikaanse stad, tijdens de rassenrellen van juli 1967, aan de vergetelheid ontrukt.

Daarbij werd een groep van twaalf zwarte mannen en twee blanke meisjes urenlang door racistische politiemannen geterroriseerd in een motel; drie jongemannen werden doodgeschoten. De agenten gingen vrijuit.

Lees ook het interview met John Boyega en Kathryn Bigalow: ‘Dat films kunnen informeren wordt steeds belangrijker’

Gaandeweg lijkt Boal een steeds steviger vinger in de pap te hebben gekregen bij de films en verschijnt hij ook in de media om tekst en uitleg te geven. Dat is niet per se goed nieuws. Waar de twee eerdere films imponeerden door Bigelows vermogen om met een speelfilm werkelijk overtuigende ‘faction’ te maken over historische gebeurtenissen, maakt Detroit meer de indruk aan de schrijftafel van Boal te zijn ontstaan. De film werkt systematisch punten af, maar overtuigt niet helemaal als drama. Dat kan ermee te maken hebben dat Boal en Bigelow allebei wit zijn en voorzichtig te werk zijn gegaan bij het zeer beladen thema van racisme en de politie in de VS. Dat is mogelijk een rem geweest op hun creativiteit.

Gek genoeg – bij een film die soms zo’n geconstrueerde indruk maakt – zitten er een hoop losse eindjes in de film, met name over de nasleep van de gruwelnacht. Ondanks zijn uitputtende research koos Boal er in zijn scenario voor om van de politieman die de aanjager is van de terreur een fictief personage te maken; mogelijk om eventuele juridische problemen voor te zijn.

Die verzonnen agent Krauss (Will Poulter) is een ware sadist met de uitstraling van het meest fanatieke lid van de Hitler-Jugend. Tijdens de rellen verandert Detroit bijna letterlijk in een chaotisch oorlogsgebied: niet politie, maar militairen bepalen het straatbeeld. In die omstandigheden kan een racistische gek zich laten gaan. Maar de rellen zijn in de film niet veel meer dan een decor: een alibi voor een gek.

Zulke gestoorde types zijn er ongetwijfeld, maar de vraag is in hoeverre hij representatief kan zijn voor andere, minder extremistische vormen van ongeoorloofd politiegeweld. Bigelow zegt met de film een discussie los te willen maken over het huidige politiegeweld tegenover de zwarte bevolking in de VS. Maar door uitgerekend voor zo’n extreme zaak te kiezen, geeft ze voor zo’n discussie niet de meest bruikbare voorzet.

Het beste deel van de film is het lange middengedeelte. Daarin laat Bigelow vrijwel in real time de brute overheersing en mishandeling zien van de doodsbange mannen in de bewuste nacht. Collega’s van de daders – ze zijn met z’n drieën – kijken ondertussen liever weg. Daarmee maakt ze op een pijnlijke, confronterende manier het totale besef van machteloosheid invoelbaar, in een situatie waarin politiemannen de criminelen blijken te zijn. In het middenstuk zit meer Bigelow dan Boal: filmervaring neemt het over van de schrijftafel. Was de hele film maar zo.