Op pad met de Biesboschwachter: ‘Kijk, een Citroenvlinder’

Natuur en cultuur

Boswachter Thomas van der Es belijdt de liefde voor zijn werkterrein in het boek De Nieuwe Biesbosch. „Je voelt je nietig.”

Illustraties Stef den Ridder uit ‘De Nieuwe Biesbosch’

Ooit was hij de jongste boswachter van Nederland. Inmiddels struint Thomas van der Es (30) alweer ruim negen jaar namens Staatsbosbeheer door de Biesbosch, het gebied waarmee hij sinds zijn jeugd is vergroeid. „Ik kom uit Sliedrecht”, vertelt hij. „Ik hield als kind behalve van de natuur ook wel van sport. Ik speelde fanatiek volleybal. Maar als in het najaar al die vogels hier naartoe kwamen vliegen, dan trok dat enorm, en dan liet ik bij wedstrijden weleens verstek gaan.”

Thomas van der Es is een boswachter zoals je die graag ziet: enthousiast vertellend over hoe hij van zijn hobby, de natuur, z’n beroep heeft mogen maken; in een ferme tred wandelend langs wilgenbossen, gewapend met telescoop en verrekijker; onderweg halt houdend, een conversatie bruusk onderbrekend met een korte stilte, gevolgd door de reden daarvoor. „Citroenvlinder.” „Blauwe glazenmaker.” „Goudplevier.” „Oranje luzernevlinder.” „Kijk die boom, omgeknaagd door bevers.”

Hij vertelt dat hier bijna dertig jaar geleden de bever weer werd uitgezet, het dier dat in 1826 voor het laatst in Nederland was gezien. Dat er nu zowat honderd beverfamilies in de Biesbosch wonen. De bever is een populair dier geworden, veel bezoekers komen er speciaal voor naar dit uitgestrekte natuurgebied. Er wordt tegenwoordig wel eens geklaagd over de schade die bevers aanrichten, zoals in Limburg, waar ze dammen in riviertjes bouwen en de waterhuishouding verstoren. „Tragisch”, zegt Van der Es, dat er soms gesproken wordt over jagen op bevers. „Ze veroorzaken hier nauwelijks schade.”

Dit is een immense delta in de achtertuin van de Randstad

Illustratie Stef den Ridder uit ‘De Nieuwe Biesbosch’
Illustratie Stef den Ridder uit ‘De Nieuwe Biesbosch’

Paling en zeehonden

Vorige week verscheen een boek van Thomas van der Es, De Nieuwe Biesbosch, over de veranderingen die het gebied op de grens van Zuid-Holland en Noord-Brabant heeft doorgemaakt, geïllustreerd met tekeningen van Stef den Ridder. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was de Biesbosch het ruige domein van griendwerkers, vissers, kooikers, jagers, en boeren. Tot de bouw van de dam in het Haringvliet, een van de Deltawerken, stond de Biesbosch in een open verbinding met de zee, en schommelde het zoete water twee meter met eb en vloed. De Biesbosch was een soort Waddengebied, met zandplaten, vissen als paling en spiering die vanuit zee de rivieren op trokken, en zeehonden.

Sinds de bouw van de dam is het getijdenverschil nog maar dertig tot zeventig centimeter. Er werd land ingepolderd. Er stonden aardappels en suikerbieten. De griendwerkers trokken zich geleidelijk terug. Wat er langzamerhand voor in de plaats kwam, is heel veel natuur. Er zijn landbouwgebieden ontpolderd. Er zijn reservaten aangelegd. En het water heeft ook om veiligheidsredenen meer ruimte gekregen. Door onder meer de ontpoldering van de Noordwaard, een grote polder in de Brabantse Biesbosch, houden aangrenzende steden bij hoge afvoeren van rivierwater droge voeten. „De Biesbosch is veranderd van een cultuurgebied met een rijke natuur naar een natuurgebied met een rijke cultuur”, schrijft Van der Es in zijn boek.

Misschien, als binnenkort, na ruim twintig jaar praten, de sluizen van de dam in het Haringvliet op een kier worden gezet, zal het water weer vaker sterker heen en weer gaan, ten gunste van veel natuur en van trekvissen. Van der Es kan niet wachten: „Heel fijn voor die miljoenen vissen!”, schrijft hij.

Maar ook nu al, zonder groot getij, is de natuur spectaculair. „Bij een westerstorm wordt het water opgestuwd. Bossen komen onder water te staan. Dieren slaan op de vlucht. Ik heb wel eens een haas in een boom zien zitten.” De kracht van de natuur overweldigt hem op zulke momenten. „Je voelt je nietig.”

De oppervlakte ‘natte natuur’ in de Biesbosch is in twintig jaar verdubbeld. Binnenkort wordt een nieuw stuk natuur aangelegd, binnendijks, de Nieuwe Dordtse Biesbosch, tussen Dordrecht en Sliedrecht, zodat je op slechts een kilometer afstand van de stad kunt verdwalen. „Dit is een immense delta in de achtertuin van de Randstad. Dit is een gebied waar je de gekte van de grote stad kunt ontvluchten”, zegt Van der Es.

Ik heb wel eens een haas in een boom zien zitten

Illustratie Stef den Ridder uit ‘De Nieuwe Biesbosch’

Bever en visarend

We zetten koers naar de vogelhut, een betonnen gevaarte op de Tongplaat, aan de rand van Dordrecht. „Hier stonden vijf jaar geleden suikerbieten.” 

Onderweg vertelt Van der Es dat op zijn kinderkamer vroeger een poster hing van soorten die ooit nog weleens zouden kunnen terugkeren naar Nederland. Zoals de bever en de visarend – die nu in de Biesbosch verblijven. Net als zijn ouders was hij wild van natuur. Als lid van de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie zag hij zijn eerste lepelaars.

Tot enkele jaren geleden woonde hij met zijn vriendin in een oud vakantiehuisje middenin de Biesbosch, in de voormalige Polder Maltha. Helaas moest hij er na drie jaar uit. „Dik balen.” Nu woont hij nu in een ‘gewone’ wijk in Dordrecht. „Ik sta elke morgen voor de pont op weg naar mijn werk hier.”

Het treft. We drentelen een kwartier rond de vogelhut als Van der Es „paniek” signaleert onder de grote aantallen krakeenden, meerkoeten, wintertalingen en kieviten, rustend in het moeras. Hoog in de lucht cirkelt iets. Een zeearend. „Boven die bosrand”, zegt hij, z’n verrekijker grijpend. „Hij lijkt alleen. Je zou hem vanuit Dordrecht kunnen zien.” Vogels vliegen krijsend op. „Het is nu één grote puinzooi.” Jagen doet de zeearend niet. „Hij zweeft op thermiek.” Dat vinden zeearenden lekker.

Zowat een kwartier lang houden we de opzienbarende roofvogel in het zicht, de „vliegende deur” zoals hij ook wel wordt genoemd, vooral vanwege de grote spanwijdte van z’n vleugels, bijna tweeënhalve meter. De andere, kleine vogels houden zich koest, angstig. „Je zou bijna denken: waarom gaan die vogels hier rusten, met al die roofvogels in de buurt.” Van der Es vindt het fantastisch dat de zeearend hier broedt. Dat soorten als deze zich hier kennelijk thuis voelen. Hij zou er nog wel meer willen zien terugkeren. De otter bijvoorbeeld. „Dit is een ideaal gebied voor de otter.” Andere soorten waarvan hij droomt: ringslang, edelhert, bijeneter, zwarte ibis, bosbeekjuffer, steur en zalm. „Dat zijn mijn droomsoorten.”

Thomas van der Es en Stef den Ridder: De Nieuwe Biesbosch. KNNV Uitgeverij, 48 blz. € 16,95