Het onvermogen te gehoorzamen

In de rubriek Lessen van mijn moeder vertellen auteurs wat zij van hun moeder leerden. Vandaag: schrijver Tommy Wieringa. „Haar veeleisende natuur heb ik altijd gevreesd, ook in mezelf.”

Een paar weken voordat mijn moeder stierf, zei ik tegen haar dat ze nog even moest volhouden, in elk geval tot na de presentatie van mijn boek met reisverhalen.

„Waarom?”, vroeg ze vanaf haar ziekbed. „Je hebt het zeker aan me opgedragen?”

„Het is een verrassing”, zei ik.

„Het zou tijd worden.”

Inderdaad droeg ik Honorair kozak aan haar op, met de woorden „Voor mijn moeder, die me smaak voor de wereld gaf”. Ze hield het vol tot de presentatie, maar eigenlijk, zei ze zacht tijdens de bijeenkomst, „ben ik er al niet meer”.

Ik had haar ondergebracht in het Amstel Hotel, ’s nachts belde ze naar de receptie om haar een po te bezorgen. Zoiets behoorde niet tot de hotelservice, zei de receptionist. „Dan doe ik het in de prullenbak”, had ze gezegd. En zo werd er in het holst van de nacht een po bezorgd op kamer 118.

„Dat moet je opschrijven”, zei ze de volgende morgen. „Dat is leuk voor een verhaaltje.”

Generatie ’68

Mijn moeder, wil ik maar zeggen, kreeg altijd en overal haar zin. Ze nam uitsluitend met het beste genoegen en rustte niet voordat er voor haar een uitzondering werd gemaakt. Ook thuis gedroeg ze zich alsof ze in een hotel verbleef, met haar minnaars en haar kinderen als bedienend personeel.

Mijn moeder was een volmaakt kind van de generatie ’68 – egocentrisch en excentriek, zonder enig talent voor gehoorzaamheid. Ze schiep met harde hand ruimte om zich heen, autonome ruimte die ze rücksichtslos verdedigde, zo nodig ten koste van de ruimte van een ander. Haar dwingende, veeleisende natuur heb ik altijd gevreesd, niet alleen in haar maar ook in mezelf. Zozeer, dat een eminent zenuwarts te Rotterdam na drie jaar therapie zei: „Maar meneer Wieringa, u bént uw moeder niet.”

Pas daarna ontstond er ruimte voor waardering. Het was vooral aan haar te danken dat ik opgroeide onder de open hemelen van Twente en Aruba, in huizen die in haar behoefte aan levensruimte voorzagen. Toen ze eens voor een paar weken naar de binnenlanden van Suriname vertrok in haar eentje, noteerde mijn vader achter op haar vliegticket twintig redenen om terug te komen, waaronder zijn naam en die van de kinderen.

Nooit liet ze zich door instituten en instanties iets vertellen, door het huwelijk niet en door de belastingdienst niet, en toen ze eenmaal ziek werd ook door de dokter niet. Ik bezit twee foto’s van haar, genomen vanuit een bus bij het Suezkanaal – op de eerste zoekt ze bij een wegversperring de confrontatie met een soldaat met blanke bajonet, op de tweede is ze de versperring voorbij en staat ze aan de oever van het kanaal.

Als ik iets van haar heb geërfd, dan is het het onvermogen om te gehoorzamen. Bij bevelen stuit ik op een fysieke barrière, iets groots en zwaars, ik kan me niet bewegen. Nooit ben ik zo haar zoon als dan.