De winnaar gaat er altijd met de buit vandoor

Politiek in Afrika

De democratie ligt onder vuur in Afrika. Groeiende economische ongelijkheid ondermijnt het vertrouwen in de politieke klasse.

Het Oegandese leger omsingelde vorige week donderdag het parlement in Kampala. De militairen wilden een debat beïnvloeden over het onbeperkt aanblijven van president Yoweri Museveni, de man die al 31 jaar lang de scepter zwaait in het land.

In het West-Afrikaanse Togo demonstreren al dagenlang honderdduizenden betogers om de vijftig jaar oude familiedynastie van president Fauri Gnassingbé tot aftreden te dwingen.

En in Kenia verklaarde begin deze maand de Hoge Raad voor het eerst in de Afrikaanse geschiedenis een verkiezingsuitslag ongeldig. Velen noemden dat een zege voor de democratie in Afrika, maar een deel van de Keniaanse politieke klasse doet er alles aan om de rechtelijke macht te ondermijnen. „We rekenen met hen af als we weer aan de macht zijn”, fulmineerde president Kenyatta over de rechters van de Hoge Raad, die hij „boeven” noemde.

Het ziet er niet goed uit voor de democratie in Afrika. Of misschien is het beter om met andere voorbeelden te beginnen die een rooskleuriger beeld geven. Vooral in West-Afrika tekent na decennia ’s van militair bestuur zich een positieve democratische trend af.

In Ghana verloor vorig jaar een zittende president verkiezingen, een unicum. Ook in Nigeria vond in 2015 voor het eerst een vreedzame, democratische machtsoverdracht plaats. In Gambia moest onder druk van landen in de regio de autocraat Yaya Jammeh begin dit jaar het veld ruimen. Belangrijker nog was de volksopstand in 2014 in Burkina Faso die de 27 jaar lang dienende president Blaisse Compaoré verdreef.

Eenheidsworst

Tegen het einde van de Koude oorlog begin jaren negentig waren de Afrikanen de eenheidsworst van de eenpartijstaat beu. Eerst in Franstalig Afrika, in Benin in 1989, en toen in 1990 in het Engelstalige gedeelte, in Zambia, leidden politieke revoltes tot de invoering van het pluralisme. Afrika is de afgelopen kwart eeuw stukken vrijer geworden. Angstige blikken over de schouders bij gesprekken in de bar zijn minder nodig, media onthullen schandalen en parlementsleden leggen presidenten en ministers het vuur aan de schenen. Hoewel de economische vooruitgang nog weinig positieve weerslag heeft gehad op het gehalte van de politieke klasse, is Afrika moderner en mondiger geworden.

Het gaat natuurlijk niet om de kwantiteit maar de kwaliteit. Groeiende intolerantie door de kliek rond de president maakte van Oeganda een schijndemocratie en in Tanzania en Zambia sturen gelijksoortige autocratische leiders hun landen in eenzelfde richting, met meer treiterijen van de oppositie en het toenemend muilkorven van de pers en burgergroepen. Volgens de Amerikaanse denktank Freedom House is het niveau van burgervrijheden wereldwijd de afgelopen tien jaar gedaald. De helft van de landen met de grootste terugloop is Afrikaans.

Economische ongelijkheid

Nic Cheeseman is professor in de democratie aan de Universiteit van Birmingham. In een essay in de Keniaanse krant EastAfrican wijst hij op de politieke buitensluiting in Afrika. „In vele staten gaat politieke uitsluiting gepaard met economische ongelijkheid”, schrijft hij. Die ongelijkheid groeit en „er bestaan geen aanwijzingen dat democratieën wat dit betreft het beter doen dan autocratische systemen. In tegendeel, een van de meest intrigerende paradoxen van de Afrikaanse democratie is dat de landen met de meest stabiele democratieën het hoogste niveau van ongelijkheid in de wereld hebben”.

Als het machtsspel niet is gebaseerd op politieke onderwerpen maar op stamafkomst, dan staat de verliezer buitenspel. Dan gaat de winnaar er altijd met de hele buit vandoor.

Democratie leidt dus niet noodzakelijkwijs tot economische en sociale ontwikkelingen voor iedereen. En daar ligt het gevaar. De autocratische regimes in Rwanda en Ethiopië gebruiken dit als argument om altijd weer de teugels strakker aan te trekken. Als democratie het terrein blijft van de nog kleine middenklasse en arrogante bovenklasse, als het geen einde maakt aan schrijnend onrecht, dan verliest ze haar geloofwaardigheid.

In 2007 versloeg ik schaamteloos vervalste verkiezingen in Nigeria, iedereen kon zien hoe stembussen met voor ingevulde stembiljetten werden volgepropt. Bij straatinterviews bleek me dat het de gewone man weinig meer kon schelen. „Dat gaat ons toch niet aan, dat is voor de politici”, luidde de apathische reactie.

In Kenia daarentegen heeft iedereen een mening over het besluit van de rechters om de verkiezingen ongeldig te verklaren wegens organisatorische onrechtmatigheden. De aanhanger van de oppositieleider Raila Odinga legt het uit als een overwinning van de oppositie, de supporter van president Kenyatta als een staatsgreep tegen de regering. Geen van die twee meningen snijdt hout. Maar Kenianen zijn zo politiek oververhit geraakt door de democratie, met de passie van een voetbalwedstrijd, dat ze iedere dag verder uiteendrijven.

Die verdeeldheid is een hoge prijs voor landen die met de grote uitdaging worstelen om een natie te smeden uit diverse bevolkingsgroepen.