Recensie

Gracieus verbeelde levenspijn in ‘Kleine zielen’ van Couperus

Met ‘Kleine zielen’ besluiten Toneelgroep Amsterdam en regisseur Ivo van Hove hun Couperus-trilogie. De voorstelling is een haasje-over van somberte en sprankjes blijheid.

Foto Jan Versweyveld

Het begint met regen, net als in de roman. Het druppelt in de planten aan weerszijden van een podiumvullend groen karpet, waartegen twee kleine bijzettafels geheel wegvallen. De leegte accentueert de zuinigheid van de familie, ook van het hart. Terwijl de piano speelt, vertelt Constance (Chris Nietvelt) dat ze oud is geworden, zonder te hebben geleefd.

Dat gemis kwelt bijna alle huisgenoten: haar man Henri, hun zoon Addy, zijn vrouw Mathilde en Marietje, een van de twee jongvolwassen kinderen van haar broer die ze hebben opgenomen. Alleen het andere kind, Gerdy, is vrolijk. Het alom zeurende ongeluk is als een ziekte. Van Gerdy zegt Constance dat ze gezond is. Ook Mathilde noemt zichzelf in vlagen van levenslust en verlangen naar genot een gezonde vrouw.

Nietvelt heeft als geen ander uit het ensemble de juiste navrante toon voor de gelatenheid en de stille hunkering waarmee de leden van deze familie worstelen. De zwarte gal van de melancholie druipt van haar stem, terwijl ze kalm en uiterlijk verstild spreekt. In deze toneelbewerking van Kleine Zielen (uit 1901) is te horen hoe Louis Couperus vooruitloopt op de ontgoocheling bij J.C. Bloem, die regels zou schrijven als: ‘Altijd dit lege hart, altijd.’

Moeras van wanhoop

Eén voor één ontvouwen de personages de symptomen van hun levenspijn. Zelfs het liefdevolle beeld van Addy (Robert de Hoog) die beide ouders in zijn schoot laat neervlijen, is een opmaat naar ontevredenheid, want zij, Henri (Steven Van Watermeulen) en Constance, strijden onophoudelijk om zijn aandacht. Henri kan alleen maar herhalen dat het leven zonder betekenis is.

Mathilde (Maria Kraakman) wordt misselijk van de „fatsoenlijke misère” om zich heen. Marietje (Hélène Devos) treurt om de zelfdoding van haar vader: „Tussen mij en de dood is bijna niets.” Stuk voor stuk leggen ze zich op de grond liggen en drukken het zachte tapijt tegen hun gezicht, als een placebo voor genegenheid.

Je hart zinkt ervan. Het geeft ook niet dat er pas na bijna een uur beweging komt in dit moeras van bitterheid en wanhoop. Dat is als vriend en wereldreiziger Brauws (Hans Kesting) zich aandient met een speech en de rijke familie hun bevoorrechte positie onder de neus wrijft – een romanaspect dat in deze voorstelling op de achtergrond blijft. Constance leeft op van deze boeiende gast en regisseur Ivo van Hove stuurt daarna op scènes waarin het geluk schemert in intieme, fysieke momenten. De lichamen zeggen waar de woorden niet bij kunnen.

Burgerlijkheid

Allereerst is er Kraakman, die als Mathilde haar aanstekelijke plezier in het schaatsen heupwiegend en springend demonstreert. Vervolgens raakt Henri onder de bekoring van zijn nichtje Gerdy (Noortje Herlaar) en als ze om elkaar heen draaien en zij haar buik wellustig ontbloot, knapt Henri bijna. Tot zij zegt: „Ik wil wel, maar de mensen…” Waarop hij berustend zegt: „Ja, de mensen, daar hebben we vaak last van.” Het is één van de keren dat de kleine ziel, de burgerlijkheid, van deze familieleden aan de oppervlakte komt en toont hoe ze zich laten ketenen door maatschappelijk mores. De veel grotere schandalen en familieruzies, die in de roman hun leven mede bepalen, worden in deze voorstelling niet gemist. Een zinnetje van een acteur als Van Watermeulen, bij wie het net opgelaaide vuur in de ogen weer dooft, zegt genoeg.

Licht

Even fraai is het wanneer Constance en Brauw bijna neus tegen neus over een bijzettafel gebogen zitten en met innerlijke monologen zich afvragen waarom ze de ander net zoveel persoonlijke verhalen hebben opgebiecht. Dat leidt bijna tot een soort uitruil bij de echtelieden, elk een nieuwe partner, als de vier samenklonteren en tegen elkaar aan schuiven, champagne nippend. Dat is een van de flitsen van openbaring, een moment van licht, en van waarlijk leven. Waarna, zoals Brauws zegt, „het weer donkert”.

Wat dat is de kern van deze Kleine Zielen, de voorstelling waarmee Toneelgroep Amsterdam en Van Hove hun Couperus-trilogie besluiten: er is geen ontkomen mogelijk. Dat benauwende gevoel wordt gracieus en doordringend overgebracht in dit stemmige drama, een haasje-over van somberte en sprankjes blijheid, door een homogeen en sterk spelend ensemble.

Helaas wordt het slot eindeloos opgerekt, met wel vier of vijf mogelijke afsluitingen. Alleen Marietje vertrekt. Zij mag nieuwe hoop koesteren. De regen stopt, het zomert, maar de beklemming duurt voort.