‘Breng eens wat vaker verhalen over moslims die het goed doen’

Stereotypen in de media

Herhaald negatief nieuws voedt vooroordelen en kan leiden tot discriminatie, stellen media-onderzoekers.

Kenmerken die in de geschreven pers het meest worden toegeschreven aan moslims. Illustratie Lars Zuidweg/Studio NRC

De media zoomen in op terreuraanslagen, raken niet uitgepraat over identiteit en integratieproblemen, brengen verhaal na verhaal over de vluchtelingencrisis, doen bijna dagelijks verslag van de verwoestingen in Syrië. Die stortvloed aan negatieve verhalen geeft moslims een slechte naam, stellen nieuwsonderzoeker Nel Ruigrok en framingspecialist Sarah Gagestein. Zij deden samen met de Vrije Universiteit in Amsterdam (VU) onderzoek naar stereotypes van moslims en Nederlanders in de geschreven pers.

De verschillen zijn enorm. Het bijvoeglijk naamwoord waarmee de grote kranten en weblogs moslims het meest omschrijven is ‘radicaal’. ‘Extremistisch’ en ‘terroristisch’ komen ook vaak voor. Komen Nederlanders in het nieuws dan zijn ze vaak ‘bekend’, ‘gemiddeld’ en ‘mooi’. Ook blijken Nederlanders veel te ‘winnen’, ‘scoren’ en ‘verbeteren’ in de pers, terwijl moslims vooral ‘beledigen’, ‘bekeren’ en ‘verkrachten’.

Het gevolg? Blikvernauwing. Herhaald negatief nieuws voedt vooroordelen en kan leiden tot discriminatie, stellen de onderzoekers.

Wat zijn stereotypes precies, en hoe verspreiden journalisten ze?

Gagestein: „Stereotypes zijn een belangrijk onderdeel van taal. Iedereen gebruikt ze, journalisten dus ook. We proberen de wereld te begrijpen door dingen en mensen in hokjes te stoppen. Hoe vaker je het één met het ander in verband brengt, hoe sterker het stereotype wordt en hoe meer een individu wordt geassocieerd met dat hokje. En daarin kan je doorschieten. Op het moment dat je Amsterdammers alleen nog maar als arrogant gaat zien, gaat dat ten koste van de sympathieke, bescheiden Amsterdammers.”

Ruigrok: „Onze respondenten blijken moslims vaker dan autochtone Nederlanders te associëren met de negatieve kenmerken die veel in het nieuws aan moslims worden toegekend. Zo krijg je de situatie dat een strafblad er minder toe doet bij een sollicitatie dan een achternaam. Daar hebben de media geen schuld aan, dat zeggen we niet, maar ze dragen er wel aan bij.”

Hoe spoorde u de stereotypes op?

Ruigrok: „Onze VU-collega Antske Fokkens heeft software ontwikkeld om zogeheten microportretten te traceren. Deze bevatten alle eigenschappen en activiteiten die in een tekst worden toegeschreven aan een persoon of organisatie. Bijvoorbeeld in de zin ‘Een extremistische moslim heeft een aanslag gepleegd’. Staat er vervolgens ‘Hij komt uit Marokko’, dan weet de computer dat ‘hij’ terugslaat op de moslim. Zo hebben we uit tienduizenden artikelen de woorden kunnen filteren die het vaakst met moslims en het vaakst met Nederlanders worden geassocieerd.”

Laat u niet gewoon zien dat journalisten hun werk doen? Aanslagen, de oorlog in Syrië en het inreisverbod van Trump domineerden het nieuws in de onderzoeksperiode. Dat zijn toch gewoon nieuwsfeiten die de media moeten verslaan?

Gagestein: „Absoluut. Maar journalisten werken altijd op twee niveaus. Ze schrijven niet alleen op wat er is gebeurd, maar bepalen ook hoe ze het nieuws brengen. We hebben gezien dat de behoorlijk stevige taal van Wilders opvallend veel wordt overgenomen in politieke berichtgeving over moslims. Het probleem is dat hoe vaker termen als ‘kopvodden’ in combinatie met moslims worden genoemd, hoe sterker die concepten zich in ons hoofd nestelen. Wilders heeft daarbij een duidelijke politieke agenda, maar het is de vraag of je als journalist daarin moet meegaan.

„Het heeft ook weinig zin om kritische artikelen te schrijven over de laatste grensoverschijdende uitspraak van Wilders. Die bevestigen het stereotype net zo goed. Iets ontkrachten, of zeggen wat iets niet is, heeft in ons brein het tegenovergestelde effect. Op het moment dat dingen samen geactiveerd worden in een zin, worden ze mentaal versterkt, ongeacht het woordje ‘niet’ ertussen. Probeer maar eens niet aan een roze olifant te denken.”

Wat kunnen media dan doen om stereotypering tegen te gaan? Minder over aanslagen schrijven?

Gagestein: „In ieder geval oppassen met generalisaties. De moslim is een bekend hokje, maar niemand past er helemaal in.”

Ruigrok: „Je zou ook kunnen schrijven dat een extremist een aanslag heeft gepleegd, zonder zijn geloof te noemen.”

Maar hij pleegde die aanslag in naam van zijn geloof, dat is toch relevante informatie?

Gagestein: „Natuurlijk is iemands geloof in sommige gevallen relevant. De ellende is dat er een grote groep mensen is die zich niet thuis voelt in het hokje maar wel zo wordt gezien.”

Ruigrok: „Als je nu kijkt naar Buma’s opmerkingen over de gewone Nederlander. Terecht vroeg NRC wie dat dan is, die gewone Nederlander. Want daar wordt natuurlijk ook een stereotype gecreëerd. Die gewone Nederlander zou hardwerkend zijn, maar een hardwerkende Marokkaan hebben we nog nooit gezien in het nieuws. En waarom niet? Breng eens wat vaker verhalen over moslims die het goed doen.”

Gagestein: „Er is een interessant verschil tussen hoe moslims en Nederlanders aan het woord komen in de media. Moslims worden meestal als leek opgevoerd, in straatinterviews bijvoorbeeld, terwijl autochtone Nederlanders veel vaker als expert aan het woord komen. Als nieuwsprogramma’s vooroordelen willen ontkrachten zouden ze vaker experts met een moslimachtergrond kunnen uitnodigen.

„Uiteindelijk gaat het om het ontwikkelen van een journalistieke gevoeligheid, over hoe feiten worden gepresenteerd en wat voor verhaal dat tussen de regels oplevert. Daar word je denk ik een betere journalist van. Eén die kritisch kijkt naar het residu dat achter blijft nadat hij zijn verhaal heeft gebracht.”