Column

Een bril in de sla

Voor mensen die er weleens over twijfelen of ze hun bejaarde vader of moeder wel goed begeleiden in de laatste levensfase is Grand Café Frankendael aan de Amsterdamse Middenweg wellicht een Geheimtipp. Want het kan altijd erger.

Omdat er daar om de hoek meerdere verzorgingstehuizen zijn, is het er op zondagmiddag een komen en gaan van mensen die er een verwante naartoe duwen, want bij Frankendael krijg je gratis een glaasje met slagroom naast de koffie.

Ik zat me er gisteren achter een dubbele espresso net schuldig te voelen dat de verjaardag van mijn moeder voor ons weer niet goed was uitgekomen toen een man en een vrouw zwijgend een in elkaar gedoken hoopje mens in een winterjas naar het tafeltje naast me duwden.

„Zet mama maar in de zon”, zei de vrouw.

Haar man, die net was neergeploft, stond zuchtend weer op, met een gezicht van ‘ze staat nou toch ook goed’.

De serveerster kwam.

Voor moeder werd een extra glaasje slagroom gevraagd.

De dochter zei dat gordijnen bij Kwantum goedkoper waren dan bij de Hema, haar man draaide een shagje.

De dochter stak haar hoofd in de rolstoel.

„Zijn ze wel lief voor je?”

Geen antwoord.

„Zijn ze wel lief voor je?!”

„Waaat?”, klonk er zacht vanuit de rolstoel.

„Of ze lief voor je zijn?”, schalde de man over het terras.

„Ja hoor.”

De vrouw: „Mooi zo.”

Weer dat zwijgen, dat wachten tot de koffie op was en ze haar weer terug konden duwen.

De vrouw in de rolstoel rochelde iets weg.

„Je hoest verkeerd”, zei haar dochter.

Daarna: „Of voel je je weer niet lekker? We zitten nou toch lekker buiten?”

Haar man, wijzend: „Nou, de slagroom vindt ze lekker hoor. Ze likt ze weer helemaal leeg.”

De dochter: „Lekker toch?”

Ik keek naar die rimpelige vinger, bruin met vlekjes, telkens met een nieuwe klodder slagroom eraan.

„Weet je nog, de vorige keer?”, vroeg de man opeens. „Toen ze haar bril kwijt was. Dat jij toen nog op de grond keek, maar dat-ie tussen de sla lag.”

De dochter stak een sigaret op, Stuyvesant rood. Dat rookte mijn moeder ook in haar betere jaren.

„Klaar”, zei de dochter toen ze haar koffie op had. „Volgende week weer.” Ze stonden op en duwden de rolstoel zwijgend de stoep op. „Hoppa”, zei de man.

Volgende week weer.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.