Column

Stel wél eisen aan migrant

De inburgeringscursus staat garant voor een hoop vermaak. Ook in het proefschrift van Tamar de Waal, die afgelopen donderdag op het onderwerp promoveerde, staan weer een aantal mooie voorbeelden uit het examen. ‘Ali, heeft hoofdpijn, wat doet Ali?’ ‘Hij neemt een paracetamol, hij gaat vroeg naar bed of hij gaat met vrienden naar het theehuis.’ In het beste geval kolderiek, in het ergste geval infantiliserend en vernederend.

Tamar de Waal is in haar proefschrift zeer kritisch over het invoeren van participatiecontracten, integratie- en taalvoorwaarden voor het verkrijgen van het Nederlands burgerschap. Europa-breed is er een wildgroei geweest van dit soort restricties op nationalisatie en De Waal beoordeelt dit niet alleen als onrechtmatig, maar vindt ook dat het averechts werkt en stigmatiserend is.

Ik zie die toename van voorwaarden als voorbeeld van de emancipatie van het Nederlanderschap. Je kunt het ook de opkomst van nieuw nationalisme noemen, in mijn ogen is dat niet per se negatief. Juist nu aan alle kanten macht uit Nederland wegebt, onze cultuur en academies in hoog tempo verengelsen, en de grenzen wagenwijd openstaan, is het meer dan begrijpelijk dat er meer behoefte bestaat aan rituelen rond onze imaginaire band, ons Nederlanderschap.

De participatieverklaring waarin de nieuwkomer belooft waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving te zullen respecteren werd eerder door De Waal als „symboolpolitiek” bestempeld. Maar juist het burgerschap hangt aan elkaar van vlaggen en liederen en koningshuizen. Ik vermoed dat voor veel mensen de rituelen van Prinsjesdag belangrijker zijn dan het nieuws over hun koopkracht. Ik denk daarom dat het onderwerpen van immigranten aan nationalistische symboliek tijdens de inburgering niet stigmatiserend is, zoals De Waal beweert, maar juist een waarborg voor acceptatie en inclusie. Nederlanderschap is geen koekje bij de koffie. Het is een bewuste, weloverwogen keuze, die gepaard gaat met rechten en plichten.

Verder denk ik dat de voorwaarden voor het verkrijgen van burgerschap essentieel zijn voor het rechtvaardigheidsgevoel en de solidariteit in een samenleving. Als je een sociaal vangnet wil combineren met open grenzen dan is het verstandig om toegang tot volledige burgerrechten te beperken.

Het misverstand is dat Nederlanders in tegenstelling tot nieuwe Nederlanders op hun beurt niet hoeven in te burgeren. De staat onderwerpt elke burger aan een jarenlange training in taal, rekenen, geschiedenis. We moeten weten waar Appelscha ligt en wanneer de slag bij Nieuwpoort plaatsvond. Als het aan het CDA ligt moeten we opstaan en het Wilhelmus zingen, verplicht maatschappelijke stage lopen. Als we niet komen opdagen komt de gemeente thuis langs, of moet je voor de rechter verschijnen. Onze cursus is langer en ingrijpender.

Eén van de redenen dat we onderwijs verplicht stellen is omdat we de kans zo groot mogelijk willen maken dat de burger als volwassene op eigen benen kan staan en de staat niet langer nodig heeft voor zijn bestaansminimum. Diezelfde reden geldt ook voor de verplichte inburgering. Dat is niet alleen een hoepel waardoor je moet springen voordat je „bij ons mag horen”, zoals De Waal talloze keren opschrijft, maar is ook vooral bedoeld om de kans zo groot mogelijk te maken dat de migrant niet in de schoot van de staat blijft hangen.

De volgende en misschien wel belangrijkste vraag is of we daarin slagen. Eerder schreef De Waal bij De Correspondent over de dramatische gevolgen van het privatiseren van de inburgering, en volgens mij heeft ze gelijk. Je mag van mij best vinden dat het de verantwoordelijkheid van immigranten zelf is om in te burgeren, maar praktisch gezien werkt het averechts. Ik weet niet wat je mag verwachten van mensen die uit de allerarmste landen ter wereld naar één van de rijkste landen verhuizen, maar de resultaten zijn erbarmelijk. Taalvaardigheid blijkt ver onder de maat, de afstand tot de arbeidsmarkt zo groot dat 7 op de 10 Somaliërs in de bijstand zitten. Als dat geen stigma oplevert weet ik het ook niet meer.

Wat mij betreft mag, nee moet, Nederland strenge eisen maar ook betere begeleiding organiseren voor nieuwe Nederlanders, om zowel symbolische als praktisch redenen, in het nationale belang en in dat van de immigranten. Zij zouden een strenge leerplicht moeten krijgen, inclusief alle vakken, op eigen niveau, zolang als nodig, met verzuimambtenaren, in staatsinstellingen, met verplichte maatschappelijke stages, een stevig eindexamen en het staatsburgerschap pas helemaal aan het einde van de rit.