Commentaar

Koninkrijksaangelegenheden

Tijd om Sint Maarten echt serieus te nemen

Aan de vooravond van de zogeheten Toekomstconferentie, die in 1993 de nieuwe verhoudingen binnen het Koninkrijk moest regelen, noemde de Leidse historicus Cees Fasseur de toestand tussen Den Haag en het toenmalige land Nederlandse Antillen „hopeloos maar niet verontrustend”. En nu Nederland zich buigt over de wederopbouw van het door de orkaan Irma getroffen, inmiddels autonome land, Sint Maarten is aan die toestand niet veel veranderd. Nog altijd schuren de verhoudingen.

Zie afgelopen week het meningsverschil tussen de premier van Sint Maarten, William Marlin, en generaal Rob Verkerk, de scheidende chef van de Zeestrijdkrachten.

Marlin zei tegen NRC dat de mariniers die naar zijn eiland gestuurd zijn om de openbare orde en veiligheid te bewaren, passief zouden zijn gebleven tijdens de plunderingen na de orkaan. Verkerk riposteerde met een – binnen de gezagsverhoudingen – ongebruikelijke tweet waarin hij Marlin betichtte van „klinkklare onzin”. Demissionair minister Ronald Plasterk (Koninkrijkszaken, PvdA) kon vervolgens op de radio niets anders doen dan deze woorden witwassen door ze over te nemen. Immers, formeel vallen ook topmilitairen gewoon onder het bevoegde gezag en zijn zij niet gemachtigd op eigen houtje premiers van andere landen de Levieten te lezen.

Vandaar dat ook premier Mark Rutte (VVD) in het voorbijgaan tegen gereedstaande microfoons riep, dat hij de mening deelde van de generaal. Maar nergens werd op papier gezet dat de premier van Sint Maarten onzin had gedebiteerd. De verhoudingen met het land liggen al zo gevoelig.

De vraag is echter wie er eigenlijk gebaat is bij dat op kousenvoeten heen lopen om die hopeloze verhoudingen tussen Den Haag en de resterende overzeese gebiedsdelen. De veertigduizend inwoners van het weggevaagde land Sint Maarten hebben geen boodschap aan lange post-koloniale tenen maar hebben snel hulp nodig.

En zo stond het tot 2010 ook in artikel 36 van de Statuut van het Koninkrijk dat die verhoudingen regelt: „Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten verlenen elkander hulp en bijstand”. De regel is weg, maar de facto is het Nederland dat de eilanden financieel ondersteunt, zeker bij calamiteiten van deze omvang.

Plasterk kondigde donderdag dan ook aan dat er een noodfonds komt voor de wederopbouw van het eiland. Het fonds zal, volgens de minister, de plannen en projecten voor de wederopbouw van Sint-Maarten toetsen en op de financiering en uitvoering ervan toezien. Hij zei ook dat de Nederlandse regering de heropbouw niet overlaat aan de regering van Sint-Maarten onder het motto: „Wij krijgen de rekening wel”.

Dat was klare taal, binnen het gegeven dat het hier gaat om hulpverlening aan een autonoom land. Maar tegelijkertijd is deze houding van het Nederlandse kabinet in tijden van wederbouw terecht.

In verleden is te vaak gebleken hoezeer de lokale overheden in het Caraïbisch gebied onder druk staan van georganiseerde, internationale misdaad. Met het oog op de bescherming van de gewone burgers in dat deel van het koninkrijk past daarbij geen naïviteit. Bij de wederopbouw van een gebiedsdeel dat door een ramp van deze omvang is getroffen gaat het om grote bedragen, die even grote aantrekkingskracht uitoefenen op spelers met verkeerde bedoelingen.

Plasterk, die zijn allerlaatste overleg met de Tweede Kamer voerde, was terughoudend met details over kosten en concrete uitvoering. Begrijpelijk, maar de aanpak van de wederopbouw van Sint Maarten en van de problemen van de getroffen mensen daar kunnen niet wachten tot er in Nederland eindelijk een kabinet op het bordes staat. Die duidelijkheid moet er dus sneller komen.

Daarbij valt het te overwegen om niet alleen de fysieke infrastructuur van het eiland te vernieuwen. Er zou ook met een verse blik gekeken kunnen worden naar de manier waarop de verhoudingen geregeld zijn. Immers, even los van alle gevoeligheden, is het Statuut uit 1954 een stuk post-koloniale regelgeving dat oorspronkelijk bedoeld was om de Verenigde Staten van Indonesië, tezamen met Suriname, en Curaçao en onderhorigheden in een Unie met het Koninkrijk te behouden.

Vandaar, bijvoorbeeld, die nevenschikking van de verschillende onderdelen van het koninkrijk, die wat schaal en omvang betreft volstrekt incongruent zijn. Het op schaal brengen van de verhoudingen, naar gemeenten overzee, bijvoorbeeld zoals ook het geval is met andere eilanden, is al eerder bepleit. Dat is echter geen reden het niet nog eens te doen. Natuurlijk rekening houdend met de wens van de bevolking. Nederland heeft een morele plicht ook de burgers overzee te beschermen.