Een correspondent en de valkuil van het perfecte stuk

Het ellendigste moment voor een redactie: moeten horen dat een collega die gold als een journalistieke reus, op lemen voeten blijkt te zijn gaan lopen – in elk geval in zijn nadagen. Correspondent China Oscar Garschagen bleek de laatste twee jaar voor zijn pensionering citaten ten onrechte zonder bronvermelding te hebben overgenomen, soms een fictief personage te hebben gemaakt van meerdere sprekers, en in reportages mensen te hebben opgevoerd die hij niet had gesproken of zelfs maar ontmoet.

Dat nieuws heeft geschokte, teleurgestelde, soms boze, maar ook meelevende reacties losgemaakt op de redactie – en erbuiten. De zaak is dramatisch voor Garschagen en dus ook slecht voor de krant.

Vooraf: wat was mijn rol? Full disclosure: ik heb de beschuldigingen gezien, inzage gehad in de correspondentie en de zaak besproken met de hoofdredactie en chef Buitenland, Elske Schouten, die het onderzoek deden. Aan de gesprekken met Garschagen en diens assistent, die de zaak aankaartte, nam ik niet deel. De conclusies daaruit zijn getrokken door de hoofdredactie en Garschagen zelf.

Zijn er lessen uit de kwestie te trekken?

Eerst dit. De hoofdredactie en Schouten hebben het onderzoek in mijn ogen consciëntieus en zorgvuldig aangepakt. Het eerste blog van hoofdredacteur Vandermeersch was, op basis van Garschagens aanvankelijke verweer, te verdedigend. Maar hij kondigde ook een vervolg aan; afgesloten werd de zaak dus niet. Het resultaat van het daaropvolgende onderzoek lijkt me duidelijk en onbetwistbaar.

Uit de reacties erop spreekt waardering voor de openheid van de krant, maar klinkt ook compassie en soms kritiek op de hardheid van het oordeel. Op Twitter was sprake van „bloeddorst”.

Het laatste was er niet. De compleetheid van het verslag op nrc.nl is pijnlijk, maar het onderzoek is gedaan met zowel respect voor de feiten als gevoel voor de persoon. Garschagen is bij elke stap betrokken geweest, zowel bij de tekst van het onderzoeksrapport als bij de verklaring van Vandermeersch. Daarin worden ook Garschagens verdiensten onderstreept.

Maar bij zulke publieke beschuldigingen hoort een publieke verantwoording. Dat geldt zeker nu media een vast onderdeel zijn geworden van maatschappelijke zelfdiagnostiek en kritiek.

Hier en daar zijn dan ook al vergelijkingen getrokken met het schandaal rond Perdiep Ramesar, de Trouw-journalist die bij die krant in 2014 werd ontslagen wegens onvindbare bronnen voor zijn artikelen over een Haagse ‘sharia-wijk’. Een parallel is dat ook hij ter verdediging eerst zei (aan het latere onderzoek werkte hij niet mee) talrijke bronnen te hebben gehad, maar die niet meer precies te kunnen achterhalen.

Maar de verschillen zijn relevanter. Bij Trouw klonken al langer argwanende geluiden, bij Garschagen ontbraken die totaal. En, cruciaal: Ramesar bracht een spectaculaire ‘onthulling’ die landelijke ophef veroorzaakte. Bij Garschagen ging het om reportages die niet of nauwelijks controversieel waren en die – ook achteraf – een reële basis in de feiten hadden. Maatschappelijke schade is er dus niet, journalistieke wel. Zo was het ook bij tal van eerdere plagiaataffaires, waarbij journalisten betrapt werden die hun verhaal ‘mooier’ maakten dan het in werkelijkheid was.

Dat maakt de affaire niet minder ernstig, wel extra onbegrijpelijk. Ook zonder clandestiene verfraaiingen had Garschagen deze reportages kunnen schrijven. Maar hij nam kennelijk geen genoegen met minder dan perfect en, zoals hij in het onderzoek zegt, als de verslaggeving beneden verwachting bleef, ging hij dat „schrijvend oplossen”. Dat is dan ook een valkuil: altijd op pad, allerlei materiaal bij elkaar verzamelen, en dan aan het bureau een mooi, al te mooi verhaal willen schrijven.

Hoe uitzonderlijk is dat?

Correspondenten spreken vaak meer mensen dan ze opvoeren, en dat is geen wonder, want redacties houden niet van stukken die wemelen van allerlei onbekende namen. Maar fictieve sprekers introduceren als een bundel van echte mensen, laat staan personen die je niet hebt gesproken een centrale rol geven in een gecomponeerd stuk, alsóf je met ze op stap bent geweest, dat is ver over de schreef.

Sjoemelen is trouwens ook een recept voor rampen in de post-Gutenberg-wereld, nu de hele planeet één muisklik van je verwijderd is en stukken ook niet meer na een dag in de kattenbak verdwijnen, maar eeuwig blaffen in de digitale kennel. Dat vergroot de controleerbaarheid van journalisten.

Dan de hamvraag: was dit te voorkomen?

Basis van een journalistieke organisatie moet nog altijd zijn: vertrouwen in de eigen redacteuren, totdat er signalen komen dat er iets mis is. Die ontbraken bij Garschagen, die ook niet onder zware deadline-druk werkte. Zijn prestatiedruk legde hij zichzelf op, zoals hij zegt, „om te laten zien dat ik het nog kon”. En hoe. De laatste twee jaar schreef hij zo’n 200 kleinere en grotere stukken voor de krant, veelal reportages – soms tien per maand. Dat is een stachanovistische productie, waaruit het journalistieke je suis partout-complex opdoemt: een week niet met je naam in de krant, is een week niet geleefd.

Is dat geen veeg teken, achteraf?

Een oud-correspondent (niet van NRC) vraagt zich in elk geval af of de krant Garschagen niet veel te lang op een topzware, moeilijke post heeft laten zitten. Correspondenten lopen dan het risico dat ze vergroeien met ‘hun’ land of juist vermoeid raken.

Wisselen na vijf jaar is de regel, zegt de hoofdredactie. Soms wegen expertise en ervaring zwaarder, maar dat moet een uitzondering blijven. Ook met Garschagen werd in de loop der jaren herhaaldelijk gesproken over terugkeer, hij drong erop aan langer te mogen blijven. Wrang genoeg was zijn opvolging net in gang gezet toen het schandaal losbarstte.

Is meer interne controle nu wenselijk?

Een gegarandeerd bedrogvrije journalistieke omgeving bestaat niet – of het moet zijn bij kranten in het oude Oostblok, maar ja, die pleegden weer een heel ander soort bedrog. Dat wil niet zeggen dat er niets te verbeteren valt. Wie een huidige krantenredactie kent, weet dat veel tijd opgaat aan plannings- en productieoverleg; het werken op meerdere platforms – papieren edities, sites, sociale media, nieuwsbrieven – noopt daartoe. Maar fundamenteel voor het vak blijft: praten over het nieuws, over bronnen en stukken. Daar zijn al allerlei instrumenten voor: redactieberaad, nabesprekingen (en functioneringsgesprekken).

De crux is de juiste balans te vinden tussen supervisie – die vaak te laat komt – en intervisie, het ambachtelijke en kritische gesprek over aanpak en methodes tussen collega’s onderling.

Of dat misstappen altijd kan uitsluiten is de vraag. De aandrang om te buffelen en, onder zware druk, de mooiste verhalen te maken hoort bij het vak – de kunst is merken wanneer het te ver gaat. Dan kan een journalist die wil blijven excelleren zichzelf zo opjagen dat hij bochten gaat afsnijden. Of zelfs andermans auto leent.

Reacties: ombudsman@nrc.nl