Column

De Haagse ziekte om openheid te veinzen en beslotenheid te eisen

Deze week: de Haagse ziekte om grote én kleine feiten binnenskamers te houden.

Ofwel: waarom de politiek telkens in de val van de eigen beslotenheid trapt.

Openheid – het blijft een uitstekend idee. En je weet dat er reden voor zorg is als je dit moet vaststellen.

Deze week maakte ik voor het eerst deze formatie mee dat een betrokkene bij de besprekingen zich niet langer kon inhouden. Een moment van zwakte, een blik van woede. Breek me de bek niet open.

Die formatie duurde nu zo lang, en de resultaten waren zo pover, dat deze politicus, één van de 76 Kamerleden waarop de coalitie straks rust, het helemaal had gehad.

Het Kamerlid gaf details over de voorlopige resultaten van de onderhandelingen tussen VVD, CDA, D66 en CU. Partijen vochten om elke millimeter. Dus telkens zag de politicus nieuwe fantasieloze compromisteksten voor het regeerakkoord op zijn scherm verschijnen.

Zinnen die er slechts stonden voor de gevoelswaarde. Onleesbare zinnen. Ellenlange zinnen. Zinnen van nergens naar niets.

Het had zich zelfs voorgedaan, zei dit Kamerlid, dat een D66- en CU-politicus zes weken onderhandelden over drie zinnen voor het concept-regeerakkoord over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Zoals bekend, smaalde het Kamerlid, wordt het Israëlisch-Palestijnse conflict niet in Den Haag beslecht.

Een D66- en CU-politicus onderhandelden zes weken over drie zinnen over het Israëlisch-Palestijnse conflict

Zo stapte dit Kamerlid van de ene ergernis in de andere. Ondanks de stroperige besprekingen hadden ze amper externe deskundigen in het formatieproces betrokken, uit angst voor lekken. Het ontluisterende gevolg, zei het Kamerlid: politici die maandenlang over Nederland beslissen door alléén naar binnen te kijken – en nooit naar Nederland.

Je hoort vaak, dacht ik een dag later, dat beslotenheid onvermijdelijk is in een kabinetsformatie. Dit is vermoedelijk waar. Maar als dit Kamerlid een reële schets gaf, dan was er een groter ongeluk gebeurd: dan was de beslotenheid in deze formatie een belemmering geweest om tot snelle en effectieve afspraken te komen.

Nu hebben Hollandse discussies over openheid iets eigenaardigs. Wij vinden onszelf ontzettend goed in openheid, en verlangen daarom ook méér openheid van de overheid.

En Den Haag buigt graag mee – maar denkt intussen: het moet niet te gek worden natuurlijk.

Eind vorig jaar, Rutte II was nog missionair, meldde minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) dat het kabinet „meer inzicht [zal] geven in agenda-afspraken van bewindspersonen.” In mei schreef hij bovendien dat oud-bewindslieden twee jaar na hun vertrek niet langer mogen lobbyen op hun voormalige beleidsterrein. Dit nadat toenmalig Kamerleden Bouwmeester en Oosenbrug (PvdA) pleitten voor beter zicht op contacten tussen ministeries en lobbyisten.

Zodoende had je deze week een boeiend voorvalletje. Staalgigant Tata Steel, eigenaar van het voormalige Hoogovens, maakte een fusie met het Duitse ThyssenKrupp bekend.

Slecht én goed nieuws: mogelijk gaan in IJmuiden 2.000 banen verloren, maar het hoofdkantoor van het fusiebedrijf komt in Amsterdam.

In twee opmerkelijke tweets, dinsdag, prees premier Rutte de keuze voor Amsterdam – en repte, tot woede van werknemers, met geen woord over het verwachte banenverlies. Ook had hij die dag – Prinsjesdag – telefonisch contact met de topman van Tata Steel, zo ving ik op.

Lobbyisten fluisterden en appten rond dat Ingrid de Caluwé, tot maart VVD-Kamerlid, tegenwoordig lobbyist is voor Tata Steel.

Rutte en De Caluwé beaamden me dat de premier dinsdag met de topman van Tata Steel belde, maar spraken beiden tegen dat zij hierover contact met elkaar hadden. Wel vertelde De Caluwé dat ze met het ministerie van EZ en de Kamer sprak over de fusie. „Dat is mijn werk.”

Ze voelde zich niet aangesproken op haar overstap naar de lobbysector. Het was anders geweest, zei ze, wanneer ze zich als Kamerlid op het terrein van Tata Steel had begeven. „Maar dat is niet zo.”

Verificatie leerde dat zij in 2015 en 2016 in de Kamer commissievergaderingen over energievraagstukken voorzat, waarin ook Tata Steel aan de orde kwam. De Caluwé zei: maar ik was ondervoorzitter van de Kamercommissie EZ, en voerde niet het woord.

Ook bleek me dat Ruttes openbare agenda niet voldeed aan de eerdere beloften van Plasterk: er stond deze week alleen in dat hij de VN in New York bezocht. Volledig kon je dit moeilijk noemen, gezien zijn nogal openbare verplichtingen aan de formatietafel en op Prinsjesdag.

‘Je kunt niet elk contact van de premier publiceren’

Het leek een futiliteit, maar als je alle speculaties uit het lobbycircuit kende, wist je dat openheid hier vooral in het belang van de premier en De Caluwé was geweest.

Ik belde de RVD. „Dat gaan we onder het nieuwe kabinet uniform maken”, vertelde de directeur-generaal. De agenda was nu nog incompleet, want „we zijn nog aan droogzwemmen.”

Maar hij waarschuwde ook. Je kunt onmogelijk, zoals het Witte Huis, elk contact van de premier publiceren, zei hij. Onderhandelingen, toevallige straatontmoetingen, snelle telefoontjes – het is niet te doen dat elke dag allemaal te openbaren. „Er zit een grens aan.”

Nu geloof ik ook dat volledige transparantie niet vanzelf vooruitgang brengt, integendeel: totale openheid kan evengoed leiden tot totalitair denken. Zie hoe transparantiekrijger WikiLeaks samenwerkte met het Kremlin om Hillary Clinton uit het Witte Huis te houden.

Evengoed kunnen Hollandse overheden best wat meer gedwongen openheid gebruiken. Daarom was het interessant dat de Kamerleden Voortman (GroenLinks) en Van Weyenberg (D66) vorig voorjaar een initiatiefwet door de Tweede Kamer kregen die de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) moderniseert en uitbreidt.

Hun Wet Open Overheid (WOO) verplicht overheden tot actieve openbaarmaking van documenten en de aanmaak van registers, zodat ze voor de burger snel te vinden zijn. Wie informatie weglakt, moet dat meteen beargumenteren.

Maar wat bleek? Zodra die wet door de Tweede Kamer was, ging de trukendoos open om invoering te voorkomen.

In het debat probeerde de VVD al vergeefs invoering van de WOO afhankelijk te stellen van onderzoek naar de uitvoeringskosten. Maar zie: bedrijfsleven en gemeenten lobbyden alsnog voor zo’n onderzoek, en Plasterk gaf opdracht.

Drie topambtenaren, verbonden aan ABDTOPConsult, rapporteerden eind vorig jaar dat de die kosten voor het rijk „waarschijnlijk ruim tot boven de miljard euro” uitkomen. Vervolgonderzoek dit jaar kwam uit op eenzelfde bedrag voor gemeenten, provincies en hoge colleges van staat.

De impact van het onderzoek was groot: de Eerste Kamer ging aarzelen over de wet, en schortte behandeling op.

Intussen vroeg de Open State Foundation, geleid door oud-Kamerlid Arjan Al Fassed (GroenLinks) op basis van de WOB (geen grap) de onderliggende stukken van deze onderzoeken op. Die werden vrijdag openbaar, en zo weten we nu wat hier is gebeurd.

De gerapporteerde miljardenkosten blijken te zijn gebaseerd op geanonimiseerde schattingen. Het betere gokwerk.

En in een e-mail van 31 maart liet één van de topambtenaren zich in de kaart kijken. „Bedenk”, schreef hij, „dat we bezig zijn met een exercitie die mede tot doel heeft om te voorkomen dat er een wet komt die (–) een onbehapbare werklast met zich mee zou brengen.”

Angst voor feiten

De Wet Openheid Overheid moest kortom vermoord worden: dat doel was al gesteld voordat de onderzoekers alle feiten verzameld hadden.

Dus de formatieonderhandelaars, de premier met zijn incomplete agenda, de topambtenaren met hun prefab-onderzoek: ze vertonen allemaal hetzelfde gebrek.

Graag suggereren zij hun liefde voor openheid. Intussen vertrouwen zij allemaal op de veiligheid van de beslotenheid.

Een angst voor de buitenwereld die in essentie een angst voor andere feiten, opvattingen en analyses inhoudt. Voor ideeëncompetitie die hen kracht zou geven in plaats van zwakte: die hen gezag zou toekennen in plaats van de schroom die zij nu verspreiden.